Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

jaar daaropvolgend op vijftien pupillen, en uit het vierde jaarverslag blijkt, dat de financiën het opnemen van twee en twintig kinderen toelieten.

«De werkzaamheden met betrekking tot de zaken van het inwendig beheer waren talrijk,» zeggen Regenten op bladz. 24 van het eerste verslag over de LouisaStichting. En, wordt hieraan toegevoegd, «moge men dit al kunnen zeggen van iedere nieuwe Stichting, waar alles nog moet ontstaan, toch zal het inwendig beheer der Stichting wel steeds moeilijk blijven, als gevolg van hare eigenaardige inrichting.»

Na vijftig jaren kan getuigd worden, dat de samensteller van het eerste jaarverslag dit zeer juist heeft ingezien; de individuëele behandeling der pupillen eischt nog steeds, dat dikwijls eene beslissing gevraagd wordt voor kleinigheden, kleinigheden evenwel van dien aard, dat zij op den goéden gang van zaken een grooten invloed uitoefenen.

Krachtig heeft het eerste College van Regenten de zaken aangepakt, waarvan riu nog de goede gevolgen gevoeld worden.

Met waardeering wordt hier gedacht aan de medewerking van den eersten directeur, den heer K. Veeger, en zeer is het te betreuren, dat een man, van wien zoo groote kracht uitging, en die alle gaven had voor het geven van eene goede opvoeding aan de kinderen, voor leiding en terechtwijzing bij hunne oefeningen, zoo kort stond aan het hoofd der inrichting. Slechts zeven jaar "was hij directeur, hij overleed den i5<len April 1876 in den ouderdom van 38 jaar.

De Heer van Geest, zijn opvolger, bleef slechts drie jaar in de Stichting en liet bij zijn vertrek (bladz. 4, elfde jaarverslag) bij Regenten meer de herinnering achter van een welgezind en braaf man, dan van iemand, die de noodige geschiktheid bezat, om met beleid de Stichting te besturen en met wijsheid en ervaring de karakters van jongeüeden te vormen en toezicht te houden op hunne studiën.

Regenten verzwegen dan ook niet (bladz. 7, verslag 11) dat zich in den aanvang van 1879 een zekere geest van ontevredenheid bij sommige pupillen had vertoond, welke de bezorgdheid van Regenten bijzonder opwekte.

Met behulp van den Heer Hempenius, den derden directeur, gelukte het, dien geest te doen wijken en brak weer een goede tijd aan voor de Stichting.

Ook al om den geest in de Stichting te verbeteren besloten Regenten, door ervaring geleerd, geen binnenmoeder meer aan te stellen, daar deze betrekking steeds aanleiding gaf tot eigenaardige moeilijkheden. Door het zoeken naar meerdere hulp buitenshuis kwam men hieraan tegemoet.

Daar zich de behoefte had laten gevoelen aan eenige vertrekken voor zieken, werd in 1880 een gebouw in den tuin gezet, dat dienst zou doen als ziekenhuis. Dit gebouw bevatte twee ziekenkamers, oppassersvertrekken en was voorzien van waterleiding en badtoestellen. Het geheel was een geschenk van den Hoogen Beschermheer der Stichting, die daardoor een hernieuwd bewijs gaf voor zijne groote liefde voor de Inrichting.

Al mocht de Stichting zich in de algemeene sympathie verheugen, toch lezen we in het jaarverslag van 1880 reeds,, wat Regenten nog zoo dikwijls moeten

Sluiten