Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoolang het aan het Groot-Oosten overtuigend blijkt, dat deze Stichting aan het doel der Oprichting en den geest der Orde beantwoordt.

Nog leest men daar: «En verklaarden \le beide comparanten, de Heeren Van Westpalm van Hoorn van Burgh en Noordziek, de voornoemde schenking te aanvaarden, overtuigd, dat het Groot-Oosten zich ten plicht zal stellen de bestemming door Z. K. H. aan het vaste goed gegeven, zoolang dit mogelijk blijkt te zijn, te handhaven en die dus niet dan in de uiterste noodzakelijkheid te laten varen en het geschonken gebouw tot een ander einde te bezigen.

Hieruit blijkt dus, naar de meening van Regenten ten duidelijkste, dat het de bedoeling en de wil van den edelen Schenker is geweest, de Louisa-Stichting in deze plaats en in dit gebouw te vestigen en gevestigd te houden.

Ook in de beginselen, vastgesteld op het Groot-Oosten van 7 Juni 1868 wordt onder sub III gezegd: Van de Regenten moeten drie te 's-Gravenbage wonen. Nog kwam hierbij, dat Regenten het voorstel zeer voorbarig noemden, daar de onderhandelingen met de gemeente nog hangende waren, en dus plannen van verhuizing van invloed zouden kunnen zijn op den prijs.

«La Vertu» had ook gewezen op den minderen prijs van sommige levensmiddelen in kleine plaatsen, maar daar staat tegenover, dat die plaatsen de gelegenheid missen, om de kinderen tot zeer verschillende maatschappelijke betrekkingen op te leiden. Regenten meenden dan ook verplaatsing naar een kleinere stad te moeten ontraden.

Op het Groot-Oosten van 1885 werd eene Commissie benoemd om een beredeneerd verslag uit te brengen over de verplaatsing der Stichting en over wijzigingen in de Statuten.

Leden van die Commissie waren de Heeren: Dr. G. J. Dozij, Voorzitter der Loge „La Vertu". Dr. L. J. EgELiNG, ) ->; .

IJ. Ykema. ( Regenten der Stichting.

C. J. J. H. van Kempen , Vertegenwoordiger der Loge „ Prins Frederik " te Koeta Radja.

W. D. J. van Meeteren Brouwer, oud-Secretaris der Loge „Fides Mutua" te Zwolle.

H. W. E. Stuwe, Lid der Loge „Willem Frederik" te Amsterdam.

Mr. A. H. van Tienhoven, Voorzitter der Loge „Acacia" te Rotterdam.

Later werd in de plaats van laatstgenoemde, die de benoeming niet aannam, aangewezen Mr. J. B. van Osenbruggen, Lid der Loge „La Flamboyante" te Dordrecht.

Met eenparige stemmen besloot de Commissie als hare overtuiging uit te spreken, dat de Stichting niet moest blijven in het gebouw in de Nobelstraat. Nog daargelaten of verplaatsing buiten den Haag niet in strijd zou wezen met de bedoeling van den vorstelijken Gever van het gebouw, meende de Commissie, dat voor zulk

Sluiten