Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat de Voorzitter van het College van Regenten, de beide Grootmeesters en een der oud-Regenten nog hunne gevoelens hadden weergegeven, begon het feestelijk deel van het programma, en werd het geheel besloten door een opgewekt bal.

Het was vooral de Heer A. M. Maas Geesteeanus, die in deze nieuwe omgeving nieuwe banen zocht voor de opvoeding in de Louisa-Stichting. De Heer Egeling, wiens krachten hem op zijnen hoogen leeftijd niet meer veroorloofden de leiding van de Stichting in het nieuwe tijdperk van haar bestaan te blijven voeren, legde zijne taak neer. De Heer Maas Geesteranus nam die over. In het nieuwe gebouw werden nieuwe, ruime paedagogische beginselen in praktijk gebracht de Stichting begon in werkeldkheid meer te beantwoorden aan hare bestemming, d.i. aan de idee: «Opvoedingsgesticht voor nagelaten kinderen van minvermogende Vrijmetselaren». Aan dien naam hechtte de Heer Maas Geesteranus groote waarde; niet een we/dadtgaeidsiiaichting,' maar een opvoedtngsinnchtïng moet de Louisa-Stichting zijn, was steeds zijn woord.

In het verslag van 1889, waaruit bovenstaand genomen is, vindt men verder eene memorie, die de Heer Maas Geesteranus kort voor zijnen dood aan den Secretaris overhandigde. Hierin ontwikkelde hij de toekomstplannen, zooals hij die zich voor de Louisa-Stichting gedacht had.

Met diepen weemoed herdenken Regenten de groote verdiensten van hunnen hooggeachten Voorzitter en herhalen, wat namens het College op zijn graf werd gezegd: «Zoolang de Stichting bestaat, zal de nagedachtenis van Broeder Maas Geesteranus in eere worden gehouden en zijn naam met eerbied worden genoemd.» (Verslag 1899.)

De aanvragen om plaatsing vermeerderden dan ook steeds, zoodat in 1895 Regenten zich verplicht zagen eene circulaire te zenden aan alle Loges, met verschillende opmerkingen. In de eerste plaats werd aan alle Logebesturen gevraagd, zich goed op de hoogte te stellen of er werkelijk behoefte bestaat aan de opneming, en van het al of niet daarvan hunne aanbeveling afhankelijk te stellen. De aanleiding tot dit verzoek was, dat er wel eens op aandrang van aanbevelende Loges, die dringende noodzakelijkheid aanvoerden, pleegkinderen zijn opgenomen, van wie later bleek, dat zij, volle weezen zijnde, zelf, of de nog levende -moeder middelen genoeg bezaten om in hunne opvoeding te voorzien.

Het getuigde voorzeker van een groot vertrouwen in de Stichting en hare Directie, dat men zelfs voor kinderen, die niet tot de minvermogende behooren, de opvoeding aldaar verkiest boven die in eigen huis of in eenige particuliere inrichting, doch men vergete niet, dat de Stichting is bestemd voor kinderen, in wier opvoeding niet door eigen middelen kan worden voorzien. De plaatsing van een pleegkind, dat niet minvermogend is, is een onrecht — om niet te zeggen een diefstal — gepleegd jegens de velen, voor wie plaatsing wordt gevraagd en voor wie de Stichting uitdrukkelijk is opgericht.

Plaatsing te moeten weigeren aan kinderen, die behoefte hebben aan steun, is voor Regenten steeds in hooge mate onaangenaam, wat vooral bleek in 1890,'toen

Sluiten