Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opname gevraagd werd voor de kinderen van een vroegeren Regent, die steeds met kracht ijverde voor den bloei der Stichting. Er waren toen dertig kinderen opgenomen, zoodat de Statuten meerdere opname verhinderden. Men nam het Regenten toen kwalijk niet van de Statuten te willen afwijken, zoodat de plaatsing niet meer werd verlangd toen eenigen tijd later, door vertrek van eenige pupillen, opname mogelijk was.

Het bestuur der Stichting, door ervaring overtuigd van de behoefte van een maconnieke opvoeding voor kinderen van niet-minvermogende Vrijmetselaren, raadde de Loges aan, de handen ineen te slaan tot stichting van een speciaal maconniek opvoedingsgesticht, waarin de kinderen van macons en niet-leden der Orde op gelijken voet tegen betaling opgenomen zouden kunnen worden. Deze inrichting zou zich bij welslagen, waaraan haast niet viel te twijfelen, zelve kunnen bedruipen.

De Loge <De Drie Kolommen» trachtte te komen tot eene vereeniging tot opvoeding van kinderen, die ten doel zou hebben, een tehuis te verschaffen aan ■ kinderen van 6—18 jaar, van welke gezindheid dan ook, maar bij voorkeur van Vrijmetselaren. Vele Vrijmetselaren, die* naar Indië vertrekken of daar verblijf houden, klagen, dat zij geene gelegenheid kunnen vinden, waar zij met vertrouwen, zonder vrees voor de toekomst, hunne kinderen kunnen achterlaten of heenzenden.

En deze kinderen en bemiddelde weezen zouden dus van de nieuwe inrichting kunnen profiteeren. Bereids had men de nieuwe Stichting de St. Jans-Stichting ■ gedoopt.

Deze Loge had evenwel weinig succes, waardoor de Heeren Th J. Koentz en J. Maurer zich niet lieten afschrikken. Door hunne bemoeiingen werd in 1899 algemeen eene circulaire verspreid, geteekend door de Heeren G. Vas Visser, S. M. Hugo van Gijn en J. H. de Groot, om steun voor eene nieuwe inrichting, ingericht naar het plan, ontworpen door de Loge de Drie Kolommen. Algemeene steun werd gevraagd, terwijl ieder, die tien gulden stortte, of veelvouden daarvan, geacht kon worden gerechtigd te zijn tot medewerking aan de vaststelling van Statuten enz.

Zeer is het te betreuren, dat ook deze pogingen niet zijn geslaagd, daar eene inrichting voor betalenden een zegenrijken arbeid had kunnen volbrengen. Waar een directeur en een directrice zouden werken onder controle van een Bestuur, hadden ouders of familie geen vrees behoeven te hebben voor onvoldoende voeding, slechte ligging, gebrek aan toezicht op studie, ze hadden overtuigd kunnen zijn van de goede leiding, waaronder zij hunne kinderen achterlieten.

Ontwerp-statuten werden in die dagen algemeen rond gezonden, en hoewel men bijna genaderd was tot de uitvoering der plannen, waarvan het resultaat zou geweest zijn, dat men voor bemiddelde kinderen geene vergeefsche pogingen meer had behoeven te doen bij de Louisa-Stichting, konden toch ook deze pogingen niet tot een gunstig einde worden gebracht.

In het jaarverslag van 1897 wezen Regenten nogmaals op de bepaling, dat de Stichting is bestemd voor minvermogende kinderen, en werd tevens herhaald, dat

Sluiten