Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van haar grootste taak ').

Is in het buitenland eene kentering waar te nemen, ook ten onzent ontbreekt het niet aan stemmen, die erkennen dat in deze „zoogenaamde" accijnzen een veelszins sympathiek element ligt.. Thorbecke verklaarde al in 1865, dat er . geen bezwaar tegen zou zijn, indien eene groote gemeente, in geldnood verkeerende, tot de heffing van gewone gemeentelijke accijnzen overging. Mr. Pierson erkent, dat, hoewel deze heffingen vóór de bedrijven met accijnzen zijn gelijk te stellen, daarom die gemeentelijke accijnsheffing toch niet in eiken vorm afkeurenswaardig is. Prof. Visser van Uzendoorn brak een lans voor het trekken van winst uit de bedrijven. Het belangrijke praeadvies van Mr. Pat ij n komt er eveneens met klem voor op. En eindelijk heeft Mr. Stoop van Strijen in zijn origineel en mooi boek, Opmerkingen over Verbruik en Volkswelvaart afdoende het goed recht dezer handelwijze staande gehouden.

Het is opmerkelijk, dat zij allen zich er op toeleggen, om weg te 'vagen de dwaling, alsof de reden van de afschaffing der gemeentelijke accijnzen lag in het wezen zelf dier accijnzen 2). Veeleer richtte zich de afkeuring tegen de heffing, of liever tegen den vorm der heffing. In de

~ i) Op blz. 256 van het Verslag stelt hij de vraag: „Komen soms in Pruisen de overschotten aan de ministers of de beambten ten goede?"

Oberbürgemeister Kutzer-Fürth uitte zich aldus: „Het gemeenteverband eischt evenmin dat de gemeenten haar producten en diensten voor den kostprijs afstaan, als dat zij de opbrengsten van hare bezittingen onder de burgers verdeelt."

2) Vóór alles leze men het betoog van J h r. M r. J. A. S t o o p S t r ij e n, Opmerkingen over verbruik en volkswelvaart, 's Gravenhage, 1910, blz. 98 en vlgg.

Sluiten