Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

algemeene sympathie vonden blijkt uit den krachtigen tegenstand, die geboden werd tegen het voorstel-G e r r e tsen dat in 1895 in de Tweede Kamer in behandeling kwam en beoogde voorschriften van minimum-loon en maximum-arbeidsduur voor de bestekken van Rijkswerken in te voeren. In wetenschappelijken kring ontbrak het evenmin aan verzet. Toen de Vereeniging voor de Staathuishoudkunde en Statistiek het vraagstuk in 1895 aan de orde stelde toonden twee der adviseurs, Mr. Pierson en vooral Mr. Reiger, zich van dezen nieuwigheid afkeerig.

Ook de bestuurderen van meerdere groote steden bleven bezwaren koesteren. De Rotterdamsche vroede vaderen met name bleken onvermurwbaar. Herhaaldelijk werd bij hen op doorvoering van deze hervorming aangedrongen maar even zoo veel malen bekwamen de verzoekers nul op het request. In 18-99 werd door tal van vereenigingen een breed opgezette agitatie gevoerd, die echter zonder resultaat bleef.

In 1912 is wederom eene beweging aangevangen thans met gunstiger resultaat, al bleef verzet niet achterwege.

Waarop rust dat verzet?.Eene merkwaardige bijdrage voor de argumenten der tegenstanders vinden wij in de stukken, die in den strijd van 1899 gewisseld werden. Burgemeester en Wethouders van Rotterdam leverden toen een uitvoerig gedocumenteerd betoog, waarin zij op principieele gronden de gevraagde besteksbepalingen afkeurden. Onder de talrijke bijlagen, waarvan zij hun advies vergezeld deden gaan, treft vooral een in het Vlaamsch gesteld schrijven van een Brusselsehen werkman, die zóó zeer naar het hart van de Rotterdamsche bewindslieden schreef, dat zijn Nota eene aparte overname werd waardig gekeurd.

Sluiten