Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4. Haast zal men u door strenge meesters leeren, Wat taal Demosthenes verkondde in Pallas stad, En Cicero voor 's waer el ds heeren,

Toen Rome nog de kroon op had.

5. O moeilyk werk, benauwde en pynlyke uren!

Ze is maar een schets, deez' roe, waarmêe men u kastyd Der slagen die ge eens zult verduren Van 't stuursche lot in later tyd.

6. Wat open veld verschynt daar voor onze oogen?

O jongeling! hoe werkt uw geest, hoe kookt uw bloed! De driften, in het hart gevlogen, Ontsteeken een ondoofbren gloed.

7. Ja, goot gy dan de onafgepeilde stroomen

Des oceaans daar op, gy bluschte 't vuur niet uit; Hoe zal de rede het betomen, Zy, die hare oogen pas ontsluit!

8. Gelyk Aurore, in 't oosten doorgeblonken,

Ja nog veel schooner, staat de wellust in haar praal; Haar adem is de pest, haar lonken Verdelgen als de bliksemstraal.

9. In zulk een stryd ziet gy de dagen klimmen, Gelyk het fris gebloemt zich opheft in een tuin, En word een man. Maar ach! wat schimmen Omcingelen op nieuws uw kruin!

10. Nu vlugt de slaap reeds in den vroegen morgen, Ja, somtyds heeft de nagt geheel voor u geen rust. Vermoeden, vrees, wantrouwen, zorgen Verdoven kennis, yver, lust.

11. Nu ziet ge eerst klaar de broosheid aller dingen: Hoe min het wuft geluk naar breidel hoort en toom, En hoe de'staat der stervelingen

Gelyk is aan een' vluggen droom.

12. Terwyl de vreugde u bloemen schynt te geven,

Ach, zieldoorgrievend nieuws! ontrukt u 't lot een vrind,. Een vrouw, beminder dan het leven, Of 't waardste pand, het liefste kind.

Sluiten