Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

G. EPIGRAMMEN.

(Op- en bijschriften, puntdichten enz.).

47. Castigatio, voor de Poort vant Spinhuys.

Schrick niet: ick wreeck geen quaet, maer dwing tot goedt; Straf is mijn handt, maer lieflijck mijn gemoedt.

Hooft.

48. Op Cornelis Anslo.

Ay Rembrant, maal Cornelis stem: Het zichtbre deel is 't minst van hem ; 't Onzichtbre kent men slechts door d'ooren; Wie Anslo zien wil, moet hem hooren:

Vondel.

49. Aen den lasteraer van wylen den Konincklycken Gezant Huigh de Groot.

O Farizeeusche grijns, met schijngeloof vernist,

Die 't Groote lijck vervolght, oock in zijn tweede kist,

Ghy Helhont, past het u dien Herkies na te bassen,

Te steuren op 't Altaer den Phenix in zijn asschen,

Den mont van 't Hollantsch Recht by Themis zelf beweent ?

Zoo knaegh uw tanden stomp aen 't heilige Gebeent!

Vondel.

50.

„Dirk," zei Trui, „houdt u eens of gij mijn vryer waart. „— 't En is maar om den deun; stuipt neder totter aard, „Zucht, schreit, en, om mijn trouw, gaat op uw knieën leggen." „Neen, neen," zei Dirk: „ik vrees, of gij eens ja mocht zeggen."

51. Sneldicht.

Een kleine hamer, snel gedreven, heeft meer macht, Dan een zwaar ijzer, dat maar op den bout gelegd wordt.

Huygens.

Sluiten