Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6i. Wandrers Nachtlied.

Ueber allen Gipfeln

Ist Ruh;

In allen Wipfeln

Spürest du

Kaum einen Hauch;

Die Vögelein schweigen im Walde —

Warte nur, balde

Ruhest du auch.

GOETHE.

Gretchen's lied: „Meine Ruh ist hin" en de middeleeuwsche liederen van verlaten meisjes; „Si Ie roy m'avoit donné" en het sonnet uit Le Misanthrope I, 2.; Hooft's „Galathea, siet etc." en het „dagelied"; Geuzenlied en Vondels Geuse-vesper. De lyriek van Poot, Burns, Klaus Groth.

b. Geloof. 62.

Een water als cristal, waer op geen koelte speelt, •

Ontfangt so cierlyk en so schoon het sonnen beelt;

So was de schoone Ziel, het edelste aller dingen,

Die door de wysheyt Gods een wesentheyt ontvingen;

Een vonck van 't eeuwigh vuur, doorschenen met Gods licht,

Een klare Spiegel voor het eeuwige aengesicht,

Daer 't eeuwig end'loos EEN, in hoogte, noch in brete,

Noch eeuwig' diepten, noyt te gronden, noch te meten,

Sich selve schoude, en vond in een geschapen beelt,

Dat voor de schepping in zyn wysheyt had gespeelt.

Dien klaren Spiegel heeft de valsche lust geschonden,

Dat kristallyn gevult met grovigheyt der sonden,

Dien stillen suyv'ren gront beweegt uyt sijn accoort,

En d'edele Beeltenis soo jammerlyck verstoort.

Wat sal de mens nu doen? wat gaet hij best voor gangen,

Om dit verloren Beelt in 't herte weer t' ontvangen?

Een WILLE, uytgaende van het eeuwig Zielenvuur,

Die dryve, als met een sweep, de gantsche creatuur

Sluiten