Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. M. W.

Onrecht waar druk, had hij geen'recht waarom I De stut en staf van mijnen ouderdom, De lust en rust van mijn grijsheid is heen: Die veel verliest, zijn tranen hebben reen.

4. W. R.

Wat heeft de Mensch waarop hij vast mag staan? Dat sterflijk komt moet sterflijk henen gaan; Vergeefs bezucht het gaan van 't noodig pad, En beter nooit, dan al te lief gehad I

5. M. W.

Ach! waar' die bloem niet al te vroeg geplukt! Ach! waar-hij niet ontijdig weggerukt! 't Verlies is min, wanneer door 't vol geniet 't Hert schemerreên van minder droefheid ziet.

6. W. R.

Of vroeg of laat, o mensch, wat leit er aan, Als doch de weg in 't eind moet zijn gegaan? En, als de ziel den steun mist van haar rust, 't Geniets gedenk ontsteekt, maar stopt geen lust.

7. M. W.

Nochtans 't is zoet: 't zoet hebben als men kan; Maar weg is weg! dood is: geen hoop meer van! Hoe langer vréugd uit 't bijzijn is geproefd, Hoe meerder reen van min te zijn bedroefd.

8. W. R.

't Zij 't Lieve dij, 't zij gij het Lieve laat, Liefs missen smert, als 't hert niet is verzaad. Geen ware vreugd dan in steeds blij te zijn; Eindlijk vermaak eindt nimmer zonder pijn.

9. M. W.

Ach! had hij doch, indien niet heel volleefd, Ten minsten niet door zulken dood gesneefd! Ach! waar' hij niet verslonden van de zee! Dood wezen baart, doods wijs verzwaart het wee.

5*

Sluiten