Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

h. Natuurpoëzie. 82. Abeelen.

1. Verschgevelde abeelenboomen Liggen langs de grachten heen, Die den ouden zandweg zoomen, Hoofd en armen afgesneên.

2. Sterke stammen, kon dat wezen, Gij, die op en in den grond, Met uw voeten vastgevezen, Vamen diepe, ondelgbaar, storidt?

3. Gij, die 't zwaar geweld der winden, • Kreunende, op uw kruinen droegt;

Die, zoo lang den boosgezinden Win tervijand wedersloegt?

4. 't Edel hoofd intweengespleten, Knoken in den grond geboord, Wie heeft 't al u afgebeten, Dat uw schoonheid toebehoort?

5. Spillen zie 'k, en spanen, dragen; Splenters, uit uw hoofdgewaai; Takken uit uw toppen zagen, Kerven af uw teenen taai!

6. Elk komt uit, en wondt en snijdt u; Raapt en rooft met volle hand;

Nu dat, omme en verre en wijd, uw Hooge kroone Kgt in 't zand.

7. Vijandschap, aan alle zijden, Woedt om uwe ellendigheid; Heeft u ooit, in vroeger tijden, Vrede en vriendschap één ontzeid?

8. Edel volk, wanneer gij wachttet, Langs den weg, en schaduw smeet Op die, moegegaan, versmachtte 't Zonnevier, was 't iemand leed?

kalff, Bloemlezing van lyrische poëzie. 6

Sluiten