Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

plantverband kunnen verkrijgen, door in den beginne een tusschengewas aan te brengen, zooals dit o. a. bij de Hevea- en ook wel bij de Djati-cultuur geschiedt. Tot nu toe heeft men dit bij jonge kina-aanplantingen nog niet beproefd, doch naar mijn oordeel zou daarvoor zeer goed de aardappelteelt in aanmerking kunnen komen. Deze gelukt op de voor kina geschikte terreinen uitstekend en levert groot geldelijk voordeel op, dat, zoo de vrees bestaat, dat die teelt den bodem te veel zou uitputten, nog ruimschoots toelaat, een daarvoor geschikte bemesting aan te brengen.

Tot de directe nadeelen van een zeer nauw, in vergelijking van een ruimer plantverband, behooren:

i°. Voor den aanplant heeft men een grooter aantal planten

noodig, waarvan het kweeken nog vrij kostbaar is. 20. De bodem, vooral de bovengrond, wordt spoediger voor kina uitgeput, wat bij latere herbeplantingen moeielijkheden zal opleveren. 30. De verspreiding van ziekten en plagen wordt er door bevorderd.

De invloed van het plantverband op de waarde van den bast, dus op het alcaloide-gehalte, bepaalt zich tot de kwestie of de levende boom in dit opzicht van het zonlicht nadeelige werking ondervindt.

Haszkarl plantte de boomen in open terreinen, doch onder den schaduw van dadap (Erythrina lithosperma); zonder schaduw zouden zij opgroeien tot heesters met een slechten bast 4°).

Junghtjhn, die de jonge kinaboomen in de schaduw der woudboomen liet opgroeien, heeft zich waarschijnlijk hierbij laten leiden door het denkbeeld, dat de in de schaduw groeiende meer alcaloide produceerden 41).

De Vrij was, na eén bezoek aan de Britsch-Indische kinatuinen in 1863, tot de overtuiging gekomen, dat de in de volle zon groeiende boomen meer alcaloide inhielden, dan die, welke steeds in de schaduw hadden "gestaan 42).

Moens nam in de kinatuinen geen schadelijken invloed van het zonlicht waar. In 1873 toonde hij aan, dat de verschillen in gehalte van bastgedeelten van eenzelfden boom niet hun oorzaak

4-

Sluiten