Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vooruitgegaan. Over den invloed op den groei werd geen melding gemaakt 51).

Op de Gouv*» Kina-onderneming werden in 1896 proeven genomen met stalmest en compost; een aanplant werd in verschillende strooken verdeeld en daarvan twee bemest, de overige onbemest gelaten. Na 8 maanden was het resultaat, dat geen verschil in gehalte der bemeste en onbemeste boomen kon aangetoond worden 52).

In 1897 nam v. Leersum proeven met chloorkalium, phosphaatmeel en bloedmeel, waarbij niet de minste vermeerdering aan kinine kon geconstateerd worden 52 a).

In 1899 werd voor het eerst boengkil gebruikt, d. i. de perskoek van verschillende olierijke zaden. De boomen kregen 2.5 K.G. ricinus-boengkil (+ 4.5 % stikstof), doch het bleek spoedig, dat de verbetering in gehalte, die optrad, niet grooter was dan wanneer men ze elk 1 K.G. gaf. Deze verbetering was reeds na 6 maanden ingetreden, bleef aanhouden tot na 2 jaar, om dan geleidelijk af te nemen 53).

In 1904, toen ik op de Gouvts Kina-onderneming kwam, werden proeven genomen met:

vleermuizenmest, gehalte 3,55% phosphorzuur . 7,90% stikstof.

ground-nut licht (arachis), gehalte 7.50% »

„ „ donker „ „ 5,05 % „

kapok-boengkil (oliekoeken) „ 5,48 % »

boengkil van Ricinus spectabilis „ 4,75% »

Bemest werden verschillende strooken in hybriden- en in Ledger-tuinen. Van alle boomen in elke strook werd met behulp van een patroonhuls een schijfje bast gestoken, op dezelfde hoogte boven den grond; van elke strook werden de schijfjes afzonderlijk gehouden, in de zon gedroogd, gestampt, goed gemengd en daarna geanalyseerd. Dit geschiedde vóór de bemesting, na 6, na 10 en na 20 maanden. Alle boomen kregen 1 pond van de meststof.

Sluiten