Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gesteldheid, doch ook de hoeveelheid voedende bestanddeelen vermeerdert; dit laatste vooral wanneer men Leguminosae aanplant. Deze groene bemesters kunnen ook nog eenigen tijd de rol van grondbedekkers vervullen.

In 1897 nam Van Leersum een proef met een aanplant van lupinen. Omtrent de resultaten hiermee verkregen, schreef hij in het jaarverslag der Gouvts Kina-onderneming 1899 pag. 25: „Al spoedig bleek dat hiervan (bloei der lupinen) bij oudere tuinen totaal geen sprake kon zijn, want het gewas heeft niet alleen in den regentijd te lijden door den zwaren drup der boomen, waardoor het zijn vollen wasdom niet bereikt en het grootste gedeelte spoedig afsterft, doch enkele exemplaren, welke nog gedijen, schieten slechts .spichtig op, leveren weinig groene massa en vormen nagenoeg geene of weinig stikstofhoudende knolletjes. Gunstiger resultaten verkreeg men echter in jonge tuinen. Na een herhaalde beplanting toch bleek hét kininegehalte der met de groene massa bemeste strooken met + 1 % toegenomen te zijn, tegenover slechts 0,5 % der niet bemeste. Doch ook hier het bezwaar, dat de lupinen gebrekkiger ontwikkelen, naarmate de kina dit, door de herhaalde grondbewerking, des te beter doet."

Na dien werden nog eenige jonge plantsoenen en eenige gerooide tuinen vóór de herbeplanting met lupinen beplant; hetzelfde geschiedde op de ondernemingen Daradjat en Goenoeng Kasoer. Toen ik in 1904 op de Gouvts Kina-onderneming kwam, had men deze groene bemesters reeds lang opgegeven en bepaalde men zich uitsluitend tot het onderwerken van den bladafval en het onkruid.

Toch zou, volgens mijn oordeel, het van belang zijn, indien de proeven met lupinen nog eens herhaald werden. In Europa gelden zij nog altijd voor de beste groene-bemesters; ook daar mislukt dikwijls de aanplant; hij slaat niet aan. Onderzoekingen hebben echter geleerd, dat in sommige gronden, waarop zij nog niet geplant zijn geweest, de bacteriën, welke voor de vorming der stikstofhoudende knolletjes noodig zijn, geheel ontbreken; brengt men echter een hoeveelheid entaarde van lupinegronden aan, dan slaagt de aanplant 55). Ook door het uit te strooien zaad vooraf te mengen met een cultuur van lupine-bacteriën kan men hetzelfde

Sluiten