Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welke neiging hebben om te vertikaal omhoog te groeien. Nooit mag daarbij het doel zijn om bast-oogsten te verkrijgen.

Ziekten en plagen komen bij de kinacultuur in verschillende vormen voor. Djamoer oepas, stam- en wortelziekten brengen dikwijls groote schade toe aan de aanplantingen. Is een boom aangetast, dan geraakt hij in ontwikkeling ten achter, bijgevolg vermindert zijne productie; ook het gehalte daalt, terwijl de verhouding tusschen de alcaloiden onderling zich wijzigt ten nadeele van het kinine-gehalte. Ik constateerde bij zieke basten gewoonlijk een polarisatie, die 4—6' minder bedroeg dan die van gezonden bast derzelfde soort boomen. De hoeveelheid alcaloide, die de bast minder analyseert, bedraagt 1 — 2 %•

De voornaamste plaag bij de kinacultuur is de Helopeltis. Deze wantsen richten hunne aanvallen op de bladeren, vooral op de jonge toppen, waaruit zij het sap opzuigen; de gewonde plaatsen worden spoedig bruin en zwart, de bladeren krullen in elkaar en de groei houdt daar op. Oude aanplantingen ondervinden daarvan weinig nadeel, doch bij jonge kan dit zeer groot zijn door belangrijke belemmering in hunne ontwikkeling. Blijft het bij den eersten aanval, dan herstellen zij zich spoedig, doch wanneer deze aanvallen kort achter elkaar herhaald worden, dan gaan zij te gronde. Men heeft wel de ondervinding opgedaan, dat, wanneer kinaboomen in hun jeugd een aanval van de Helopeltis hebben doorstaan, ze later uitmunten door een uitgebreid wortelsysteem.

Andere insecten, o. a. rupsen, veroorzaken ook dikwijls schade, doch deze wordt gewoonlijk weer spoedig ingehaald.

F. Het schillen en drogen van den bast.

In de wijze, waarop de bast van den boom verwijderd wordt, zijn met den gestadigen vooruitgang van de kinacultuur geen belangrijke veranderingen gebracht.

Terwijl bij den oogst van Succirubra-basten, die als pijpen en stukken in den handel gebracht worden, deze met de noodige

Sluiten