Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welk Nederlander zou ontkennen de groote beteekenis, die het voor het volk heeft, te weten, dat zijn geschiedenis met die van een vorstenhuis samengeweven is?

Democratie als parlementarisme.

Een derden vorm van wat men democratie pleegt te noemen en dus (als ik de democratie als anarchie den eigenlijken vorm mag noemen) den tweeden oneigenlijken vorm, zie ik in de democratie als parlementarisme. Om misverstand te voorkomen voeg ik er dadelijk bij, dat ik, van parlementarisme sprekende, niet op het oog heb elk regeeringsstelsel, waarin het parlement een rol speelt Op zichzelf acht ik — zooals ik in ander verband nog nader hoop te onderlijnen — een parlement goed en onmisbaar: een ontwikkeld volk behoort ook m. i. gepasten invloed te hebben op den gang der regeeringszaken.

Geen Nederlander zal er licht toe komen, het staatssysteem, waarin door een volksvertegenwoordiging een plaats wordt ingenomen, daarom te veroordeelen. Eer zal hij geneigd zijn, juist om die volksvertegenwoordiging, om dat parlement, een staatssysteem toe te juichen. Immers is ons volk altijd tuk geweest op zijn rechten en vrijheden en heeft juist ons volk zijn schoonste goederen mede te danken aan het feit, dat er eertijds in ons land een volksvertegenwoordiging was, die, om het hooge gezag, het gezag bij de gratie» Gods, te redden, den drager van het gezag van zijn ambt vervallen dorst verklaren.

Niet dit versta ik onder parlementarisme. Wel het stelsel, waarin het parlement èn zich met alles bemoeien, èn in alles het overwicht aan zich trekken wil. Dit parlementarisme, waarvan de grondslagen bij ons gelegd zijn, zoo niet bepaald door, dan toch omstreeks de grondwetsherziening van 1848, heeft in de jaren 1866—1868 zich voor goed baan gebroken en viert met name in onze dagen hoogtij. Over dat parlementarisme wensch ik thans het 'een en ander in het midden te brengen.

Bedenking heb ik in de eerste plaats tegen de omstandigheid, dat het parlementarisme het afdoen van zaken belemmert. Als het parlement zich met alles bemoeien wil en in alles zijn eigen zin doordrijven wil, is het noodzakelijk, dat er veel gesproken wordt. Dat zou zoo zijn, als het parlement uit een of twee partijen bestond, maar bij de veelheid der partijen, die tegenwoordig zoo enorm groot is en bij de vermeende noodzakelijkheid, dat elke partij haar menschen in den lande moet kunnen aantoonen, hoe juist zij door haar invloed dit of dat bereikt heeft, ontstaat er een waar spreekdelirium, dat den engelsch-duitscher Chamberlain aanleiding gaf, het parlement een „Schwatzbude" te noemen.

Sluiten