Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den ondernemer ontnomen worde, als de vrije maatschappij er haar taak naar behooren vervult. Wat men in ons land met de assurantie (leven en brand) heeft gewild en wat de democratie in Duitschland thans op groote schaal wil, n.L socialiseering van bedrijven, acht ik kortweg het afbreken van de maatschappij. Mijn ideaal ware: niet één overheidsbedrijf. En ik ben hiervan verzekerd: van een krachtigen ondernemersstand kan men aan belastingen veel meer halen dan men aan winst van staatsbedrijven ooit boeken kan. Heeft de heer Van Gijn de waarheid dier bewering voor de vereeniging voor staataishoudkunde en statistiek niet erkend en gedemonstreerd?

Maar dan dringe tot de ondernemers ook het besef door, hoe zij in een geordende maatschappij hebben te staan, hoe zij tegenover elk der groepen ook hebben te staan, die meededen in het maatschappelijk inkomen, in welker verwerving zij, zoo niet het grootste aandeel, dan toch de leidende rol hebben. Die groepen zijn: 7°. de eigenaars van grond en gebouwen, die deze beide beschikbaar stellen; 2°. de kapitalisten, die het kapitaal leveren; 3° de arbeiders, die arbeidskracht ten dienste stellen; 4". de ondernemers zelf, die door hun inzicht en energie den faeelen economischen arbeid mogelijk maken en leiden.

Weinig betoog behoeft het, wat de ondernemers aan anderen moeten afstaan en wat ze zelf mogen behouden. De eigenaars van grond en gebouwen krijgen pacht of huur met een opslag voor onderhoudskosten. De kapitalisten ontvangen rente met inbegrip van een premie voor verliesrisico. De arbeiders hebben recht op loon plus een bijslag voor allerlei risico's van niet te kunnen werken. De ondernemers eindelijk, — die voor alle andere groepen de inkomsten in handen krijgen en die inkomsten moeten afdragen —, mogen, als al het andere voldaan is, voor zich zelf behouden winst met inbegrip van een belangrijke premie voor het zeer groote risico, dat zij loopen, aan de andere groepen al het hare niet zonder min of meer verlies voor zich zelf te kunnen geven.

Ten aanzien van de arbeiders zeide ik opzettelijk, dat zij recht hebben op loon plus risico-opslag. Ik deed. dat, omdat de eigenaren van grond en gebouwen en de kapitalisten steeds krijgen hetgeen waarop ze recht hebben, d. w. z. hun billijke vergoeding plus opslag, — de ondernemers zijn wel genoodzaakt, het hun te geven —, terwijl de ondernemers, zoo eenigszins mogelijk, het hun zelf rechtmatig toekomende ook wel voor zich behouden, ja, zelfs meer dan dat, maar aan de arbeiders soms het dien medewerkers aan de productie toekomende onthouden, het althans niet steeds ten volle uitbetalen. Dat vindt eenerzijds hierin zijn oorzaak, dat in onze

Sluiten