Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maatschappij veel meer het belang primeert dat het recht, wat ook in onze dagen weer het geval is, maar met dien verstande, dat nu meer het arbeiders- dan het ondernemersbelang boven het recht voorrang krijgt. Anderzijds schuilt de oorzaak hierin, dat de economen, voor zooveel ik weet, dusver nimmer ten deze op de kern der quaestie de aandacht gevestigd hebben.'

Welnu, daarom wil ik er hier eens met grooten nadruk op wijzen, dat hét een groot onrecht is, als men aan drie der bij de productie betrokken groepen haar eigenlijke vergoeding plus risicoopslag geeft, maar aan de vierde groep, die der arbeiders, misschien de gewone vergoeding, het loon, geeft, maar haar den opslag voor haar zeer groot risico onthoudt. De arbeider heeft een zeer klemmend recht op een behoorlijk loon, waarin de noodzakelijke premie voor werkloosheid, ziekte, invaliditeit, ouderdom, etc. is te vinden. Wil men den arbeiders alleen het loon in geld geven en de verzekeringen voor hen afsluiten, dan laat mij dat niet koud, omdat het den bewusten arbeider niet siert, als men alles voor hem doet, maar ben ik in hoofdzaak toch wel voldaan. Mits vaststa, dat de arbeider zijn risico-opslag in dezen of genen vorm krijgt, èn: dat deze opslag niet van den staat mag komen, maar uitsluitend van den ondernemer. Zoo uitdrukkelijk mogelijk herhaal ik het: evenals de risico's van den eigenaar van grond en gebouwen en van den kapitalist en evenals het risico van den ondernemer zelf, moet elk risico van den arbeider, dat hij niet steeds zal kunnen werken, gevonden worden uit het totale bedrag, dat de ondernemer ontvangt, en waaruit hij elke bij de productie betrokken groep het hare moet geven.

Maar dan stel ik ook aan den arbeider zeer hooge eischen. Het is in de eerste plaats, dat hij, voor een goede arbeidsorganisatie — let wel: ik spreek hier niet van arbeidersorganisatie! — opkomende, zich onthoudt van al wat het particuliere bedrijfswezen kan schaden, maar dit bedrijfsleven als een autonoom instituut hoog houdt 'en' het overheidsbedrijf afwijst. Voorts eisch ik, dat hij geen halve cent uit de staatskas vraagt, maar slechts van het staatsgezag verlangt, dat het den ondernemer goede zeden leere in den door mij bedoelden zin, als die ondernemer aan die goede zeden anders niet aan wil. Ten derde stel ik den eisch, dat de arbeider niets aanvaarde wat zijn energie zou benadeelen of zijn verantwoordelijkheidsbesef schaden zou, zóoals b.v. gezinsloon en staatspensioen. En dan voeg ik daaraan als vierde en laatste toe, dat de arbeider al zijn energie er aari wijde, de kennis en bekwaamheid van den arbeidersstand zoo hoog mogelijk op te voeren: er is geen hooger eere voor den arbeider, geen beter middel voor hem om in zekeren zin de wereld te veroveren, geen ernstiger plicht ook zeker

Sluiten