Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijken toestand is gegeven, werpe eens een blik in de officieele Duitsche gegevens. Van officieele zijde is materiaal te mijner beschikking gesteld, dat ik slechts met ontzetting en afgrijzen kon lezen én waaruit ik slechts eenige gegevens ter illustratie zal aanhalen, waarbij ik opmerk, dat het in mijn bedoeling ligt later uitvoeriger op deze zaak terug te komen. De documenten, waarvan hier sprake is, zijn afkomstig van het Rijksdepartement van Gezondheid te Berlijn. Zij zijn het resultaat van onderzoekingen naar den invloed der oorlogsomstandigheden op den gezondheidstoestand der bevolking van Duitschland en vooral naar den invloed dezer omstandigheden op de tuberculose. Hierbij is slechts gebruik gemaakt van beëedigde verklaringen van bekende Duitsche autoriteiten.

In Maart 1918 heeft het Fransche voedingsministerie een bericht gepubliceerd, volgens hetwelk de minimum-hoeveelheid levensmiddelen voor een gemiddeld 8 uren per dag werkenden man een warmte van 3300 calorieën moet vertegenwoordigen, welk cijfer zonder nadeel voor de gezondheid met 10 % kan worden verminderd. Het minimum bedraagt dus 3000 calorieën. In de op 29 April 1918 te Rome gehouden conferentie werd het minimum-rantsoen aan vet op 75 gram per hoofd en per dag bepaald.

Deze beide minimum-hoeveelheden moet de lezer in gedachten houden ter vergelijking met de hoeveelheden, die den Duitschers tijdens den oorlog ter beschikking stonden. Volgens een verklaring van het Rijksdepartement van Gezondheid vertegenwoordigden de levensmiddelen, die aan de bevolking konden worden verstrekt, in den herfst van 1916 slechts 1344 calorieën, in den zomer van 1917 zelfs niet meer dan 1100, met een eiwitgehalte van 30 gram daags, terwijl het voor de voeding noodzakelijke minimum 60 gram bedraagt. Rekening houdend met de verliezen tengevolge van de slechte verteerbaarheid van den oorlogskost wordt de waarde der gerantsoeneerde voeding op slechts 1000 calorieën berekend, d.w. z. dat de Duitschers 33Va % ontvingen van de hoeveelheid, welke het Fransche voedingsdepartement als het bestaans-minimum had becijferd. Terecht zegt het Departement van Gezondheid: Dit is een hoeveelheid energie, slechts weinig grooter dan de hongerlijdende mensch dagelijks van zijn eigen lichaam moet

Sluiten