Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

worden neusvleugel en bovenlip opgelicht, waardoor de golfboog der wangen in een ronden Romaanschen boog overgaat, (fig. ie, fig. 3b en fig. 6b).

Wil de fijnproever iets keuren, vooral wijn of een andere vloeistof, dan wordt de tong tot een gleuf naar binnen gebogen. Het ongevoelige middenvlak mag het vocht niet raken. Alles moet uitsluitend langs de meestgevoelige deelen gaan. Verder wordt de tong uitgerekt, zoodat de vloeistof langer geproefd wordt, om ze des te beter te keuren. Hiervan is echter een noodzakelijk gevolg, dat de lippen worden vooruitgestulpt, en een zoogenaamden „toot" vormen (fig. if en fig. 4a).

Laten we daarentegen onder veel zachte spijs een harde griezel in den mond krijgen, dan willen we die fijn hebben. Zij wordt door de samenknijpende lippen tusschen de tanden gehouden, en nu bijten we. Voor deze bewegingen moeten de kinheffers in werking treden, de onderlip wordt naar boven getrokken, bovendien komen de twee kinplooien voor den dag, die van het midden der onderlip in een stompen hoek naar beneden loopen. Dat is de verbijtende trek (fig. 4c en fig. 6d).

Wil de harde griezel nóg niet stuk, dan openen we de lippen om al onze spierkracht op het samendrukken der kinnebakken te zetten. Hierdoor worden de tanden zichtbaar, en het geheele gezicht krijgt een pijnlijk hartstochtelijken trek. Dat heet knarsen (fig. 4b).

Geachte lezer, ik heb u met opzet eerst deze heele reeks van trekken om den mond achter elkander laten beschouwen, om u zelf zoo op de gedachte te laten komen, dat deze mimische vormen toch ook nog veel meer kunnen beteekenen, dan loutere smaakverschillen 1

En hiermee zijn wij plotseling tot de kern van ons vraagstuk doorgedrongen.

Sluiten