Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Als een sjouwer iets op den schouder gelegd wordt, wat hem niet aanstaat, dan wipt hij het er met een schielijk schokje af. Maar diezelfde bruske schouderbeweging kunnen wij ook aan elkander opmerken bij elke opwelling van ongeduld.

Heel langzaam lichten we de schouders omhoog als wij een zwaren kostbaren last willen afladen, we nemen hem op de armen en geven hem dan over of zetten hem neer. Juist diezelfde bewegingen maar nu gelijktijdig maken wij als we onze onmacht erkennen ons van de een of andere eervolle zware opdracht te kwijten.

Een op ons aandringend gevaar, vijand of dier houden wij van ons af met vooruitgestrekte armen, of we duwen het met den elleboog opzij. Maar ook een opgedrongen propositie wijzen wij af met hetzelfde handgebaar.

Als kleine kinderen iets zien wat hunne aandacht trekt, dan grijpen zij ernaar, ook al is het tienmaal zoo ver van hen verwijderd, als hun armpje lang is. Wij zijn nog niet van die schijnbare domheid genezen. Alleen is die grijpvorm van hand en arm ietwat gestileerd, en met dat grijpen bedoelen we mi iets aan te wijzen, een doel dat trouwens het kind er ook reeds mee bereikte.

Met open hand moeten wij gaven ontvangen, in de open hand bieden wij gaven aan. Dit veronderstelt goedheid en vriendschap. En vandaar is de open hand bij allerlei gebaren als het ware de index der goede bedoeling geworden.

Willen wij iemand de fijnigheid van een klein kostbaar voorwerp tooneh, dat de moeite waard bekeken is, dan houden wij hem dat tusschen duim en wijsvinger voor. Maar als een redenaar aan zijn gehoor een fijne kwestie heeft uit te leggen, dan maakt hij met elegantie dezelfde gesteFénélon.

U kent waarschijnlijk allen het uitsliepen der kinderen

Sluiten