Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hoort den aanhef van een sonnet van Hooft aan Joffrouw Anna Roemer Visschers :

Zoo 't u met diamant bist op het glas te stippen

'T is in de vlinderteelt. Het geestige gedrocht

Ziet oft het laaffenis aan sap van druiven zocht

En zit zoo kuiw, men zaad' het van den roemer knippen.

Wie ziet en voelt hier niet den zoeten suikermond van den licht-verliefden Drost ?

Toen wij boven den zoeten mond beschreven, hebben wij gezien hoe bij 't proeven van suiker de mond juist den stand aannam die voor de tand- en lipklanken noodig is (de tong van voren naar boven) en hoe met dien mondstand allerlei gevoelens van lieftalligheid, aanminnigheid, enz. geassocieerd waren. Alles is dus weer volkomen begrijpelijk.

Bij 't beschrijven van den bitteren mond zagen wij dat achter de tong werd omlaaggetrokken om het bittere vocht zoo spoedig mogelijk door te slikken. Welnu, aan dezen tongstand (het midden omhoog) beantwoorden nu de d, ö, ai, eu, enz. En juist met deze klanken drukken wij ook bij voorkeur pijn en onaangename gevoelens uit. Aan de interjecties, èh, ai, eu behoef ik wel slechts terloops te herinneren. Maar wat merkwaardig mag heeten, is, dat onlangs Reinhard door een zorgvuldige statistiek, loopend over een groot getal blije en even veel droevige verzen, bij de eerste veel meer ee's en /'s, en bij de laatste een enorm overwicht van ai's en «'s heeft aangetroffen.

De kritische proeftoot met vooruitgestulpte lippen is de mondstand voor de oe. En dat hiermee ook de klankexpressie overeenkomt hoorden wij Winteler reeds verzekeren. Maar tal van talen, die juist hun augmentatieven en pejoratieven met oe-kleur, en daarentegen hun diminutieven

Sluiten