Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ruiterstandbeeld van Marcus Aurelius. Juist door de tegenstelling van de ronde/springende hengstomlijning komen het uitgestreken philosophengezicht, dat door den baard nog langer schijnt en de stijve majesteit der kommandeerende armen, beter tot hun recht.

In den tijd van Praxiteles waren de Grieksche kunstenaars vooral bedacht op egale trekken. Pas door Lysippus kwam de natuur in de Grieksche kunst tot eere : Hij gunde aan de ouden de eer, de menschen gebeeldhouwd te hebben, zooals zij misschien wel zijn ; zelf zou hij tevreden zijn met de gezichten te modeleeren, zooals ze schijnen ! Men zegt, dat hij den schilder Eupompos vroeg, wien van de vroegere schilders hij na zou volgen, en tot antwoord kreeg : Geeneen, maar het gewone volk. Nu dat heeft hij dan ook gedaan. Zie b.v. dezen Satyrkop (fig. 14c) maar eens even aan : wat een guitig kwajongensgezicht en van een ondeugend geslacht! dat zeggen u de onverschillige mond en de uitlachende oogen. Maar nog interessanter is zijn Sokrates (fig. 14a) door Prof. Six zoo fijn beschreven : Geen beeld naar het leven, maar een vrije bewerking van de gegevens die herinnering en overlevering bewaarden. De goedaardige mond, en dan de kleine oogen, door die ontzaglijke wenkbrauwen overschaduwd. Niet neergetrokken alleen, ook verdeeld is het vqorhoofd. Geen ware of voorgewende toorn, maar diep en ernstig nadenken ligt erin uitgedrukt. Trouw en eerlijk zijn die oogen en goedheid ligt toch ook in het verder verloop der wenkbrauwlijnen zonder schijn, van zwakte. Die kracht, die uit de geheele houding blijkt is een heel andere dan die van een halven barbaar, het is de kracht van strenge zelfbeheersching, niet van hoogmoedig zelfvertrouwen.

De Menander (fig. 14b) uit ietwat lateren tijd zit in gemakkelijke houding al wat er om hem heen geschiedt opmerk-

Sluiten