Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voelende genuanceerde naturen verloopt de oogbeweging in zulke gevallen het liefst in golvende bogen. En we noemen dit een zachten blik.

Zijn we daarentegen in dezelfde omstandigheden wat meer eclectisch gestemd^ dan trekt nu het een, dan het ander meer in 't bizonder onze aandacht. Onze oogen gaan schielijk op en neer in scherphoekige lijnen. Dat is de scherpe blik.

Zit iemand in de klem, dan zoekt hij z'n heele omgeving af naar redding uit den nood. Maar 't is of elk fixatiepunt hem afstoot, niets kan hem baten. En vandaar heeft zijn blik iets verstootens en ongestadigs. Wij treffen hem aan bij verlegen vreesachtige naturen, maar ook bij schuldbewuste en knagende gewetens, en noemen dit een dwalenden blik.

In allerlei gebaren en nutsbewegingen onzer handen en armen vinden wij dezelfde vormen terug. Traag en levendig. Zachtgolvend gemoevementeerd en scherphoekig gesneden. Haastige siddering ten slotte in vrees en angst, niets dan een uitvloeiing naar buiten van de trepidatio animi daarbinnen.

Maar ook tot de heup- en kniegewrichten strekt zich bij intense gevoelens deze redundantie van de gemoedsfasen uit.

De vermoeide afgestreden grijsaard schuift heen met loome, trage schreden. Maar de frissche, levenslustige jonge borst komt aan met vluggen veerkrachtigen tred. Een gedecideerd wilskarakter neemt z'n stappen mannelijk gemeten voorwaarts, maar een rijk geschakeerde gevoelsnatuur geeft in onbezorgdheid een frisschen opzwaai aan zijn kuiten, hij huppelt in golven van rhythme daarheen. De vreesachtige ten slotte stokvoet en aarzelt, hij doet een pas naar voren, om aanstonds weer terug te wijken, zijn schreden zijn onvast en dwalen in het wilde.

Sluiten