Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het jonge broedsel huppelde aan zijn zij, Of joegen, op zijn spoor, in wilde vaart En vloden voor hem heen, en keerden weer... Hij danste vóór, op 't mollige tapijt Naar de effen maat van eigene muziek. En heel dat jonge volkje met hem mee, Vroolijke kaJvren en het blonde lam... Dan leek de weide een vastenavondklucht, Vol grappen en grimassen van door-een Buitlende kalveren met het logge schaap Druk-galoppeerend, onder zacht geblaat Terwijl een rei van witte geitjes danste Een wulpsche menuet in de avondzon.

Maar wat bewijst dat weer anders dan dat mensch en dier iets gemeen hebben, te weten : het zinnelijk gevoel! Darwin dacht daar echter anders over. Van gevoelsredundantie en rhythme wist hij nog niets, het onderscheid tusschen gevoelsmomenten en de veranderlijk golvende fasen kende hij nog niet, maar dat sommige bewegingen niet uit Piderit en Gratiolet's nuttigheidsprinciep konden verklaard worden, was ook hem reeds duidelijk geworden. De uitingen van het sterk gespannen, opvarend geëxalteerde, sthenische gevoel had hij met een schijn van reden als nuttig triumfeeren of zich groot maken tegenover vijanden verklaard. Nu vormden de uitingen der zachtere, slinkend depressieve, asthenische gevoelens daarmee een sprekend kontrast. En hiermee meende hij als tweede grondwet aller Ausdrucksbewegungen het kontrastprinciep te hebben gevonden. En daar hij nu voor dit princiep weer zoowel bij dieren als menschen voorbeelden vinden kon te kust en te keur, was hiermee dus opnieuw zijne grondstelling over onze apenafkomst bewezen.

Ik behoef hier de boven behandelde onderscheiding

Sluiten