Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kléagt om den vriénd | voor éltijd, wéggenómen | zijn stóüten érnst | den géésel van, zijn lach, | klaagt om de waarheid | die voor 't laatste zag [ haar tróüwsten, priester, tót haar, oüters, kómen. |

Klaagt niét | — wij éllen, wénschten óns uw lót |

te villen, in den strijd, voor eigen Gód | i

in vól,le kracht | als ménnen wégge,dragen. |

De Liefde stérft met óns | met Hóllands Taal

Uw néém | maar Waarheidszónne, Uw, ideaal |

het liéfste, dit gij, hadt | zal immer hóóger, hóóger dagen.

Dit sonnet staat over 't algemeen in een langzaam, hortend tempo : dus zuchten en klachten van heel bizondere innigheid. De akcenten zijn zeer sterk gedifferencieerd, men kan zich levendig den scherpen blik en het hoekig gebaar van den dichter, terwijl hij dit schreef, voorstellen.

De konstrukties zijn dan ook over 't algemeen zeer klein, en, om het algemeen geldende isochronisme: gerekt uit te spreken; alleen vloeit in de beide kwatrijnen de torenhoog gerezen vloedgolf telkens in een lange geleidelijke daalkonstruktie af.

Overeenkomstig den ommekeer in de gedachten bij het begin der terzinen, hebben de toonaangevende maten van het eerste gedeelte initiaal akcent var bezadigde resignatie — alleen speelt in den tweeden versregel en zooveel hópe en al zijn dróómen een finaal akcent van levendige herinnering er door heen —.

Maar in de terzinen is het finaal akcent domineerend: in overeenstemming met het steigerend gevoel ; alleen vormt de tweede helft van den eersten versregel een deinenden overgang.

Sluiten