Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar nu zal dithyrambe rijzen. In amphibrachys en creticus stijgt hij op ; in drie aldoor forscher jamben schalt hij door, en neemt dan na nog een jambe met amphibrachys z'n stoutsten vleugelslag door den sterksten klem te leggen in de daling, opgevolgd door een anapaest, om dan in een amphibrachys met creticus weer te minderen en ten slotte zijn kalmen, reeds driemaal gebruikten nedergarg van amphibrachys met dubbele trochee : zal immer hooger dagen, nog even met een sterk betoonde herhaling van hooger te ontsieren als ge wilt, maar te doen leven van zijn echte, hoewel ietwat geëxalteerd gevoel.

Was het nu niet waar, wat ik in het begin zeide, dat zulke teere, ragfijne wisselingen onzer gemoedsstemming in abstrakté woorden niet weer te geven zijn ?

Maar ook in onze talen treedt de kwantiteit soms als afzonderlijke rhythmefaktor op, en dan ontwikkelt zich een opmerkelijke strijd, doordat aan elk in de redundatie van het gemoed zijn eigen rol wordt toebedeeld. Ik kies als voorbeeld van dit nog weinig opgemerkt verschijnsel een „Nieuw Liedeken" van Starter „tot Lof van Friesland", waarop Ph. J. Simons mij opmerkzaam maakte.

O Friesland 1 zoo vol deugden, Als ik een landschap weet, Versierd met duizend vreugden. Uw bodem is bekleed Met korenrijke velden, Uw steden zijn voorzien Met wallen en met helden, Die wijslijk U gebien.

O Friesche aard, Recht edel land,

Die met het zwaard Uw vrijheid want.

Sluiten