Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uw welbebouwde landen zijn rijkelijk versierd Met vruchten velerhande En gras voor uw gediert, Hetwelk de Heer laat groeien, Zoo vruchtbaarlijk dat elk Zou zeggen daar te vloeien Kaas, boter, honig, melk.

O Friesche aard, Recht edel land,

Die met het zwaard Uw vrijheid want.

Gij ziet uw land bolwerken, Met steden, schansen sterk: Van dorpen, torens, kerken, Ik Uws gelijk niet merk. In Uw roemwaarde wetten Gij van geen reden wijkt, Ja, als men 't recht zal zetten, Athenen gij gelijkt.

O Friesche aard, Recht edel land,

Die met het zwaard Uw vrijheid want.

Gij hebt het gehoord, er is tusschen de strofen en het refrein telkens een eigenaardige tegenstelling van gevoel, maar ook van rhythme. De strofen zelf heb ik onwillekeurig langzaam en eenigszins vleiend gelezen, maar 't refrein vlug en fier. Welnu, dit gedicht is een merkwaardig staaltje ervoor : hoe in onze taal een kwantiteitsrhythme met een klemtoon rhythme kan samengaan, zonder dat ze volkomen samenvallen. In eiken halfregel der strofen hoor ik toch duidelijk niet minder en niet meer dan twee overlange silben. Deze lange vallen meest op de 2de en 6de silbe, behalve in de tweede helft van den eersten versregel, waar de eerste lange op de derde silbe ligt, en de derde stroof waar ze driemaal achter elkaar op de 4de en 6de vallen. In het refrein daarentegen is geen enkele overlange silbe aan te wijzen. Met dit kwantiteitsrhythme gaat nu een streng klemtoonrhythme gepaard, dat in stroof en refrein, op de slepende en de staande rijmen na, identiek is.

Sluiten