Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pinnen van zinnetjes schrijven ; en waarom vroegverwelkte kunstenaars als Kloos, tot rijpe geblaseerdheid gekomen, niet meer kunnen halen bij het rhythme hunner eigen zinnen uit den tijd, toen hun jong gemoed nog als een frissche bronwel klaterde.

Het duidelijkst komt dit rhythme uit op het einde van een grooteren zin. In het slot toch ligt gewoonlijk de voornaamste gedachte besloten, pas op het einde wordt de „pointe" scherp en toegespitst. Daarom ook wordt het einde van een stroof als refrein zoo dikwijls, maar zoo goed als nooit het begin herhaald. Daaraan ook heeft het eindrijm zijn psychologische beteekenis te danken. Daarom wordt altijd het einde van den zin ietwat getrokken. Men denke b.v. slechts aan de Fermate in de protestantsche choraal. Daarom heeft de klassieke metriek voor het einde van vers en stroof altijd uitzonderingen of bizondere eischen. Daarom ook zijn in het proza, op het einde der zinnen en perioden, de slotkadenzen voor de klank-expressie zoo buitengewoon van belang.

Ook hier heeft in de laatste jaren het détail-onderzoek ingezet. Cicero's kwantitatieve klausule-strukturen zijn door Zielinski en anderen in volledigheid geschift en geordend. Wilhelm Meyer vond voor het Middeleeuwsche Grieksch met z'n intensiteits-klausulen nog treffender eenparigheid en in het Latijn der middeleeuwsche Roomsche kurie is de zoogenaamde cursus al lang bekend. Laurand is de eerste geweest, die op de gevoelsbeteekenis der verschillende klausulen wat nader is ingegaan, jammer genoeg beperkt hij zich tot een algemeen onderscheid tusschen verheven en familiairen stijl. Want 't is weer de gewone eenzijdigheid die dit onderzoekingsveld laat verpieteren. Voor den klassikus is zoo iets een aanhangseltje, een interessant snufje, waarvan het geleerd staat, iets te weten ; maar waarvan

Sluiten