Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bijna niemand de primordiale beteekenis voor het invoelen in de gemoedsfasen der klassieke schrijvers vermoedt.

Maar ook in het Nederlandsche proza zijn er klausulen van vaste regelmaat. Ik let er sinds eenigen tijd op, als ik schrijf en de een of de andere zinnedraai bevalt me niet, om ten slotte een wending te vinden die me voldoet: wat voor rhythmisch verschil dan de beide zinstukken onderscheidt. Mijn bevroedingen gaan in de richting van Wilhelm Meyer's klausulenwet voor het nieuwe Grieksch, maar mijn onderzoek is nog niet ver genoeg gevorderd, om er u de preciese resultaten van mee te deelen1). Maar als de velen onder u, die bijna dagelijks de pen hanteeren, in analoge aanhoudend voorkomende gevallen, zich eens dezelfde vraag wilden stellen, en we deelden elkander dan bij gelegenheid onze opmerkingen mee, de organische sociale beoefening der wetenschap zou opnieuw een bewijs kunnen geven van haar nu nog onoverzienbaar nut.

Om de gevoelsbeteekenis der klausulen te achterhalen moeten wij toch de levende taal onderzoeken, waar wij door kruisproeven de theoretisch-afgeleide konklusies kunnen toetsen. En dan pas kan naar analogie tot gelijke beteekenissen voor de klassieke klausulen besloten worden, wat dan weer natuurlijk door de overige reeds bekende stijlverschillen moet worden bevestigd.

Maar in het kwantiteits- en intensiteitsrhythme is après tout toch ook altijd veel automatisch, zóóveel zelfs, dat ik in mijne Principes de linguistique p s ychologique er het gevoelsrhythme bijna om vergat. Maar ons gemoed heeft daarentegen zoo goed als alleen het woord: in de toonhoogteverschillen van de taal en de muziek.

') Zie mijn ondertusschen verschenen artikel: De Statistiek en de Taalwetenschap. Nieuwe Taalgids, Deel 9 blz. 89 vlgd.

Sluiten