Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ACHTSTE HOOFDSTUK Muziek en taal. De leesteekens als neumen

Om deze laatste hoofdreeks van onze experimenteele feitenmonstering echter niet te verwarren door allerlei wanbegrippen over de verhouding van muziek en taal onderling, zal het eerst zaak zijn de wisselwerking tusschen beide aan de hand der ethnologische gegevens eenigszins nader te onderzoeken.

Het is u zeker bekend dat Herbert Spencer, bij wien zoovéle geniale bevroedingen door overhaastige vastzetting tot valsche theorieën kristallizeerden, óók de leer heeft verkondigd dat de muziek zich uit de taal met hare toonakcenten had ontwikkeld. Was immers accentus geen cantus ?

Zang is dan ook volgens hem niets anders, dan de natuurlijke akcentueering van gepassioneerde taal. Eerst heeft de naieve natuurmensen in legendarische verhalen en gelegenheidstoespraken zijn stemmingen in rhythme leeren uiten, en daaruit is sukcessievelijk eerst de episch poëzie geboren, toen de lyrische, daaruit is het recitatief ontstaan. Dit werd weer tot zang en lied, en uit het lied is alle instrumentale muziek voortgekomen. Deze theorie die, zij het minder volledig, trouwens reeds door Condillac, Scheibe, Herder, Jean Jacques Rousseau, Gottsched, Lessing, Villoteau, Lacépède en August Schlegel was verdedigd, is nu ten eenen male valsch en onwaar. Zij berust op een naieve konklusie uit tal van overeenstemmingen tusschen taal en muziek, die evenwel, gelijk Chabanon reeds tegen zijn tijdgenooten, maar later vooral Gurney, Stumpf, Grosse, Combarieu en Wallaschek tegen Spencer bewezen, veeleer

Sluiten