Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De zangstijl, in de regels voor de één- en meerstemmige strenge zetting samengevat, werd tot algemeene grondwet óók der instrumentaal muziek. Wil de instrumentaalmuziek een bezielden indruk maken, wil zij, naar Matthesons woorden, niet naar bonte noten maar naar sprekende klanken jagen, dan heeft ze zich in deze norma te schikken.

In de nieuwere muziekgeschiedenis zien wij de dramatische muziek hier den toon aangeven. Achtereenvolgens: de Florentijnsche meesters van ongeveer 1600, die evenwel de autonome muzikale weelde prijs gaven; dan Calsabigi en Gluck om 1750. Calsabigi stelt als grondwet: de inachtneming van het natuurlijk taaiaccent.

Zeker wij zien hier niet aanstonds het heele terrein gewonnen, de klassieke meesters van het einde der 18de eeuw waren te verslingerd op de sierlijke toonlijn, dan dat ze die voor den simpelen toonval der sprake zouden hebben willen geven.

Maar met Beethoven begint toch al de synthese van beide behoeften, die in Richard Wagner de hoogvlakte bereikt, en eindelijk om 1850 op volkomen toenadering tot den spreektoon begint te werken.

Van den anderen kant zoeken ook de nieuwere dichtscholen sedert Petrarca niet alleen in sonnet-, refrein- en andere kunstvormen den zoogenaamden grooten rhythmus der muziek na te volgen ; maar in de studie der muzikale rhythmische klankexpressie bereiken zij effekten, waarvan een vroeger aesthetika niet heeft gedroomd.

De evolutie van Spencer moet dus juist omgekeerd worden. Aanvankelijk was er scheiding. Gaandeweg hebben zij zich eens akcidenteel verbonden, zonder evenwel hun eigen zelfstandigheid in te boeten, maar sedert dien naderen zij elkander meer en meer; zonder dat wij evenwel behoeven te hopen of te vreezen, dat zij ooit geheel en al in elkander op zullen gaan.

Sluiten