Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Moeten we daarentegen beginnen iets te zeggen, dan komt ons gemoed, tot we aan de hoofdzaak komen, gaandeweg in steeds levendiger beweging. De aanvang zal dus gewoonlijk een geleidelijke steiging vormen, zoodat de hoogste top in het midden, iets tegen het einde ligt. Vandaar gaan alle grootere zinnen langzaam in toon omhoog om daarna weer tot den grondtoon af te dalen.

Muzikale prachtvoorbeelden biedt hiervan het Gregoriaansche Praeconium paschale E x u 11 e t. Telkens weer jubelt de blijheid om het wondere licht naar den dominant omhoog en blijft er zweven in blanke snelvleugelige klanken: er zingend de heerlijkheden van dezen goudgestraalden nacht. Tegen het einde der periode juicht een zielsroep nog over den dominant heen, om dan bij het sluiten der gedachte, in stemmige daling naar de finale heen te wijken, en er te wijlen tot weer nieuwe jubileering zich verheft.

Daar een komma gewoonlijk staat, waar wel de grammatikale eenvoudige zin of konstruktie, maar nog niet de heele gedachte uit is, gaan wij daar in de hoogte. Hieruit krijgt de hoogste top van lieverlede de beteekenis van iets onafs. De menschen zijn zich de natuurgewoorite min of meer bewust geworden : dat een hoogere toon geen einde is.

Jespersen haalt hiervoor een merkwaardig staaltje aan : „Je krijgt een mark, en geen penning meer," zegt Jood A. tegen Jood B. en de diepe daling op meer verduidelijkt zeer welsprekend zijne stemming : Nu is het uit, ik wil er niets meer over hooren.

Maar nu herneemt Jood B. : „Wat, geen penning meer.. . !" Hij beschouwt de zaak nog volstrekt niet als afgedaan, zijn toon gaat voortdurend omhoog, als om een antwoord af te dwingen. En zetten wij nu, gelijk we misschien bij 't visueele voorstellen van den laatsten zin al instinktmatig gedaan hebben, achter het laatste meer

Sluiten