Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lihg van ons West-Europeesch lied kunnen wij drie perioden onderscheiden:

i°. Den tijd van de sukcessief-harmonische opvatting naar Grieksche wijs, met het fijne gevoel voor de toongeslachten, die door de afwijkende stelling van den halven toon, elk een scherp gevoeld onderscheid van gevoel te vertolken wisten.

2°. Den tijd van de simultaan-harmonische opvatting met het akkoord-bewustzijn en de hieruit voortvloeiende versmelting van de toongeslachten in majeur en mineur, waarvan alleen de eerste zelfstandig ontwikkeld is, terwijl het Mol-geslacht zich * grootendeels door alteratie bij het Dur-geslacht aansluit.

3°. Den allerlaatsten tijd, nu de fijnste liederkomponisten de oude rijke verscheidenheid der toongeslachten door een wonderen uitbouw der chromatische struktuur weer doen herleven. De akkoorden moeten gedeeltelijk weer voor de geleidelijke, maar nu veel fijner geschakeerde overgangen wijken : er zijn nu vijf soorten van sekunden mogelijk tegen de twee of drie van de vorige periode.

De overgang tusschen i° en 2° ligt in de wereldsche liederen der ióde eeuw, die tusschen 2° en 3° dateert van 1850.

In de eerste periode staat de melodie van het lied nog zeer sterk onder invloed van de meer geleidelijke kalme spreektaalintervallen. Bijna 80 pCt. van alle intervallen zijn sekunden. Onze „Wilhelmus", een der laatste en krachtigste loten aan dien ouden boom, is er met z'n 49 sekunden tegen slechts 3 tertsen en 3 kwarten een typisch staaltje van.

Gaandeweg echter komen bij 't levendiger worden van het akkoordbewustzijn de tertsen meer en meer op den voorgrond, de verhouding wordt van lieverlede: 40 pCt. sekunden, 30 pCt. tertsen en 20 pCt. kwarten. Spoedig

Sluiten