Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opstandigheid de kracht van weerstand zal kunnen behouden, zoo zij niet te samen verbonden in een groote en innerlijk sterke organisatie kunnen optreden tegen de overmacht van het militair imperialistisch despotisme.

Om in staat te zijn het hoofd te bieden aan het imperialisme en zijn oorlogen is iets anders en iets meer noodig dan de tot dusver schuchtere pogingen der vredes-bewegingen, of de meei heftige, inderdaad oprechte en in vele opzichten eerbiedwekkende actie der revolutionnairen. De eersten zijn grootendeels nog onbewust en bevangen in een verouderde ideologie. De laatsten hebben de oude wereld, zijn instellingen, geloovingen en opvattingen wèl verworpen, maar voor de nieuwe wereld het nieuw verband nog niet gevonden. Hun ontbreken nog grootendeels de equivalenten in voelen en denken, in geest en in vorm voor al datgene dat met hetgeen zij leerden verloochenen voor hen is verloren gegaan.

En toch kan zonder deze equivalenten den vasten en breeden grondslag, een helderen en ruimen gezichtseinder, niet worden gevonden. Geen koortsachtige opwinding, geen 'agitatorisch drijven kan dit gemis vergoeden, dit ledig aanvullen.

Een kortstondig oproer, een revolutie van enkele weken of maanden is veel beter dan slaafsche onderwerping, dan het aanpassings-vermogen waarheen wij zoo velen zien afglijden, maar het doel van algemeen verweer, van een weerstandsvermogen dat levenskracht en levensduur bezit moet dieper gevat, in ruimer kring begrepen worden.

Ten slotte is de eigenlijke revolutie waarop het aankomt een revolutie van den geest, opdat niet telkens weer bij elke nieuwe coup d etat der re-aktionnairen het weerstandsvermogen van leiders en volgelingen der revolutionnairen ineenzinkt, opdat niet het fataal aanpassingsvermogen, in den vorm van allerlei overgeleverde begrippen en instinktief-primitieve neigingen de kracht tot opstand breekt.

Van deze innerlijke revolutie in ruimeren kring is, de oorlog bewijst dit bij den dag duidelijker, nog geen sprake. Zelfs in de landen die zich beroemen op hun demokratie is van een dergelijken positieven geestelijken ommekeer weinig te bespeuren.

In zijn voorwoord van „Androcles en de Leeuw" en in dit tooneelspel zelf geeft Shaw wederom tal van rake opmerkingen

Sluiten