Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sonen, belast de commandant van het korps geleiders van ontplofbare stoffen, de marechaussee, alle ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie, de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, de ambtenaren bekleed met militair gezag, aangewezen krachtens artikel 7 der wet van 23 Mei 1899 (Staatsblad no. 128), alsmede alle andere ambtenaren, daartoe aangewezen door Onzen Minister van Justitie.

De ambtenaren, in het voorgaande lid bedoeld, hebben in de uitoefening van het aan hen opgedragen toezicht, met de hen vergezellende personen, te allen tijde vrijen toegang tot alle plaatsen, waar redelijkerwijs vermoed kan worden, dat vuurwapenen of munitie aanwezig zijn.

Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien desnoods met "inroeping van den sterken arm.

Is de plaats tevens eene woning of alleen door eene woning toegankelijk, dan treden zij deze tegen den wil des bewoners niet binnen dan op algemeenen of bijzonderen schriftelijken last van het hoofd van plaatselijke politie of in tegenwoordigheid hetzij van dat hoofd, hetzij van den kantonrechter, hetzij van een commissaris van politie.

Van dit binnentreden wordt door hen proces-verbaal opgemaakt, dat binnen tweemaal vier en twintig uren aan dengene, wiens woning is binnengetreden, in afschrift wordt medegedeeld.

Artikel 15. De ambtenaren, in artikel 14 bedoeld, zijn te allen tijde bevoegd om in beslag te nemen zoomede om ter inbeslagneming het noodige onderzoek in te stellen naar en de uitlevering te vorderen van alle voorwerpen, welke tot ontdekking der waarheid kunnen dienen, of welker verbeurdverklaring, vernietiging of onbruikbaarmaking kan worden bevolen.

Artikel 16.

Deze wet is niet van toepassing op vuurwapenen, welke voor gebruik als zoodanig niet geschikt te maken zijn of het karakter dragen van oudheden.

Artikel 17.

Artikel 3, eerste lid, onder 7°., der wet van 9 Mei 1890 (Staatsblad no. 81), gewijzigd bij de Vogelwet 1912, wordt gelezen als volgt:

„7°. geen ander wapen vervoeren dan dat zoodanig is ingepakt, dat het niet voor dadelijk gebruik kan worden aangewend, mits het vervoer, voor zoover betreft een vuurwapen, gedekt is, hetzij door een geleibiljet, afgegeven door het hoofd van politie der gemeente, waar het vervoer een aanvang neemt, hetzij door een consent van invoer, uitvoer, doorvoer of vervoer."

Artikel 18.

Wij bepalen, op welk tijdstip, of op welke tijdstippen onderscheidenlijk, de bepalingen dezer wet in werking treden.

Deze wet kan worden aangehaald als „Vuurwapenwet 1919".

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, den 7den Juni 1919.

WILHELMINA. De Minister van Justitie,

HEEMSKERK.

Uitgegeven den achttienden Juni 1919.

De Minister van Justitie,

HEEMSKERK.

Sluiten