Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

meer doelmatige bestrijding van criminaliteit, ter beperking in het belang der openbare orde van het misbruik, hetwelk van vuurwapenen en munitie kan worden gemaakt, waren nadere wettelijke voorzieningen op dit punt reeds sedert lang noodig gebleken. In eene geordende maatschappij is de bevoegdheid tot het voorhanden hebben van dergelijke gevaarlijke voorwerpen, evenals die tot het bij zich hebben van een wapen op den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats, bezwaarlijk langer als eene natuurlijke en van zelf sprekende te beschouwen en eigenlijk alleen in zoover te erkennen, als een redelijk belang dat vordert en het belang der openbare orde dat toelaat. En wij zagen hierboven, dat de bepalingen der z.g. Wapenwet niet in allen deele deugdelijk waren om zelfs het beperkte doel, dat die wet zich stelde, te verwezenlijken.

Intusschen is de indiening van het ontwerp van wet, houdende de hierboven bedoelde nadere voorzieningen, het ontwerp-Vuurwapenwet 1919, eerst geschied onder zoodanige omstandigheden, dat men in de ontworpen regeling, welke overigens als van blijvenden aard is gedacht, niet in de eerste plaats is gaan zien een nieuw middel ter bestrijding van criminaliteit in het algemeen, doch allereerst een nieuw machtsmiddel om revolutionnair geweld tegen te gaan. Toen na de ineenstorting van het Duitsche rijk en de daaraan zich ook hier te lande aansluitende gebeurtenissen de mogelijkheid van het gewelddadig optreden eener minderheid onder de bevolking om haar wil aan de meerderheid op te leggen, onder de oogen werd gezien, werd uiteraard het vraagstuk van de voorziening in de leemten van den toen bestaanden wettelijken toestand op het stuk van vuurwapenen en munitie in eens van zeer actueel belang. Het ontwerp tot de Vuurwapenwet 1919 werd voorbereid en, in afwachting van de totstandkoming dier wet, vaardigde het militair gezag, op verzoek van het burgerlijk gezag, op 24 Februari 1919 voor nagenoeg het geheele toen in staat van beleg verklaarde gebied uit de Militaire Wapenverordening 1919, waarbij de invoer van wapenen van uit het buitenland in het gebied, waarvoor de verordening gold, in het algemeen werd verboden, met mogelijkheid natuurlijk van ontheffing, en waarbij voorts o. a. het onder zich hebben en afleveren van wapenen aan eene vergunning werd gebonden 1). Ik merk te dezer gelegenheid nog op — en dit moge dan in zoover als eene aanvulling worden beschouwd van de hierboven gegeven uiteen-

1> In het onderwerp van die verordening, welke m. i. geacht moet worden te steunen op artikel"22 de "z.g Oorïogswet van 23 Mei 1899 {Staatsblad no. 128), wordt door de Vuurwapenwet 1919 voorzien. Het militair gezag heelt daaruit de consequentie getrokken en op 26 Juli m9.eenealgemeene bekendmaking gedaan, volgens welke«de.Militaire Wapenverordentog 1919 met ingang van 6 Augustus 1919, d. w.i op het tijdstip van de inwerkingtreding der Vuurwapenwet 1919, buiten werking wordt gesteld.

Sluiten