Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zetting van den vroegeren wettelijken toestand op het stuk vair vuurwapenen en munitie —, dat onder den staat van beleg het militair gezag aan artikel 29 der z.g. Oorlogswet de bevoegdheid ontleent om de wettelijke bepalingen op het dragen van wapenen alsmede die op de uitoefening van de jacht zoodanig te wijzigen, als in het belang der openbare veiligheid noodig wordt geacht, en om te bevelen, dat de inwoners de in hun bezit zijnde wapenen en munitie op daartoe aan te wijzen plaatsen inleveren. In de in staat van beleg verklaarde gebieden kan derhalve het militair gezag, in verband ook met zijn uitgebreid recht tot het betreden van plaatsen en tot huiszoeking1), de verspreiding van vuurwapenen en munitie onder de bevolking, waar het dit noodig acht, binnen de grenzen van het practisch mogelijke beëindigen en het bij zich hebben van een wapen op den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats verbieden in de mate, waarin het dat gewenscht oordeelt. Overigens is door de totstandkoming van de Vuurwapenwet 1919 de op artikel 22 der z.g. Oorlogswet berustende verordenende bevoegdheid van het militair gezag op het stuk van de verspreiding van vuurwapenen en munitie onder de bevolking ten zeerste ingekort 2).

IV. Het ontwerp tot de Vuurwapenwet 1919 is ingediend bij ParlemenKoninklijke Boodschap van 11 April 1919 ®) en verdedigd, door den deling van Minister van Justitie, Mr. Th. Heemskerk. Omtrent de parle- Vuurwapenmentaire behandeling van het ontwerp vermeld ik het volgende. Kort na de indiening werden te Amsterdam geconstateerd enkele gevallen van particuliere bommenfabricage. Groot was de verontwaardiging, toen bleek, dat de daders, anarchisten, die hun omwoners aan de grootste gevaren hadden blootgesteld en wier handelen op hoogst bedenkelijke oogmerken wees, zich enkel zouden hebben schuldig gemaakt aan het onbevoegdelijk voorhanden hebben van ontplofbare stoffen, overtreding van artikel 72, eerste lid, van het z.g. Buskruitbesluit, waarop geen zwaardere straf dan geldboete van ten hoogste zeshonderd gulden of hechtenis van ten hoogste een jaar is gesteld. Geen wonder, dat de zeer vele voorstanders van het wetsontwerp in de Tweede Kamer aandrongen op scherpere bepalingen tot het tegengaan van het vervaardigen en bewaren van bommen en andere ontplofbare instrumenten, voor zoover dat niet geschiedt in daartoe aangewezen inrichtingen. Ter tegemoetkoming aan dezen aandrang voegde de Minister van Justitie aan

1) Artikel 39 der z.g. Oorlogswet.

2) Men vergelijke artikel 150 der Gemeentewet.

3) Gedrukte Stukken, Zitting 1918—1919, 410.

Sluiten