Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

liet gewijzigd wetsontwerp, dat tegelijk met de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer werd overgelegd, een nieuw artikel toe1), houdende verbod van het vervaardigen herstellen of voorhanden hebben van bommen, handgranaten, enz. •of van onderdeden daarvan, en wijzigde hij de strafbepalingen 2) in dien zin, dat overtreding van een verbod, bij of krachtens de Vuurwapenwet 1919 gesteld, dus zoowel van de verbodsbepalingen van de artikelen 5 en 6 der wet, als van een eventueel bij algemeenen maatregel van bestuur te stellen verbod van invoer, uitvoer, doorvoer .» of vervoer van een vuurwapen, als misdrijf en met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van ten hoogste zes duizend gulden zal worden gestraft, indien, naar de dader weet of redelijkerwijs moet vermoeden, eenig voorwerp, met betrekking tot hetwelk het feit wordt begaan, is eene bom, eene handgranaat of een dergelijk bij uitstek gevaarlijk voorwerp. De overtreding van •de verbodsbepaling, wijst n.1. alsdan als regel op hoogst bedenkelijke oogmerken. Dit is een zeer belangrijke aanvulling geweest, die het wetsontwerp in den loop van de parlementaire behandeling heeft ondergaan.

Een andere belangrijke aanvulling heeft de Minister van* Justitie uit eigen beweging aangebracht. Terwijl n.1. het wetsontwerp oorspronkelijk enkel regelingen inhield op het stuk van vuurwapenen, zijn die regelingen bij het gewijzigd wetsontwerp ten deele ook uitgebreid tot munitie, waardoor tevens de inhoud van het ontwerp met zijn titel („nadere voorzieningen op het stuk van vuurwapenen en munitie") in overeenstemming werd gebracht.

Bij de Memorie van Antwoord op het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer 3) legde Minister Heemskerk nog eens den nadruk op de strekking van het ontwerp, dat z. i. allereerst als „een belangrijke stap vooruit op den weg van meer doelmatige bestrijding van ■criminaliteit" is te beschouwen, al kan het ongetwijfeld „méde strekken — doch deze strekking komt eerst in de tweede plaats in aanmerking — om revolutionair geweld tegen te gaan". De communisten in de Tweede Kamer waren tot deze opvatting niet te bekeeren. Zij betwijfelden, bij monde van den heer Van Ravesteijn 4), of „misdadigers, personen, wien het er om te doen is, om zich door een algemeen als zoodanig erkend misdadig optreden in het bezit te stellen van eens anders eigendom, door dit wetsontwerp in de

1) Artikel 5 der wet.

2) Artikel 12 der wet.

3) Hieronder kortheidshalve als Memorie van Antwoord aangeduid. De Eerste Kamer lieeft n.L aanstonds Eindverslag uitgebracht, zoodat aan die Kamer eene Memorie van Antwoord niet ls overgelegd*.

4) Vergadering van 20 Mei 1919, Handelingen, blz. 2338.

Sluiten