Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

machtiging op te sommen. Intusschen zou die opsomming toch steeds aan het oordeel der administratie eene groote mate van vrijheid hebben moeten laten.

De bezwaren der sociaal-democraten maken dan ook een eenigszins gezochten indruk. De omstandigheden zijn aan hun verzet tegen het wetsontwerp niet vreemd geweest, zooals overigens de heer Schaper zelf toegaf. *) En de Minister van Justitie verklaarde bij repliek eenvoudig: „De heer Schaper is het veel te weinig met mij oneens, dan dat het nog noodig zou zijn met hem in debat te treden" 2).

Ten slotte werd het wetsontwerp in de Tweede Kamer met 53—13 stemmen aangenomen 3).

In de Eerste Kamer werd het na een kort debat zonder hoofdelijke stemming aangenomen 4).

V. Met betrekking tot het systeem der Vuurwapenwet 1919,

Systeem der

welke dus in hoofdzaak strekt om in het belang der openbare orde wet^io."" de verspreiding van vuurwapenen en van munitie onder de bevolking aan zekere beperkingen en aan zeker toezicht te onderwerpen, een doel, dat, gelijk wij hebben gezien, de z.g. Wapenwet en de z.g. Buskruitwet koud laat, merk ik reeds thans het volgende op.

Dat systeem berust op de gedachte, dat er eigenlijk niet meer vuurwapenen en munitie onder de bevolking en onder elk lid van de bevolking zich behooren te bevinden dan door redelijke belangen wordt gevorderd en met het belang der openbare orde vereenigbaar is. Die gedachte is dan, voor wat betreft vuurwapenen, het meest zuiver uitgewerkt.

Allereerst verklaart de wet de Kroon bevoegd om invoer, uitvoer, doorvoer en vervoer van vuurwapenen en van munitie te verbieden, behoudens mogelijkheid van ontheffing van zoodanig verbod (art. 2).

Vervolgens beperkt de wet de bevoegdheid om een vuurwapen voorhanden te hebben, tot bepaalde lichamen en personen en bindt die voor particulieren in het algemeen aan eene schriftelijke algemeene of bijzondere machtiging, welke alleen wordt verleend, voor zoover eenig redelijk belang dat vordert en misbruik van de machtiging of van het vuurwapen niet is te vreezen (art. 3). Opgemerkt worde hierbij, dat het onbevoegdelijk voorhanden hebben van vuur-

1) Handelingen, blz. 2340, eerste kolom onderaan en tweede kolom bovenaan.

2) Handelingen, blz. 2341.

3) Vergadering van 21 Mei 1919, Handelingen, blz. 2345.

4) Vergadering van 6 Juni 1919, Handelingen, blz. 531.

Sluiten