Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door het verleenen van eene algemeene of bijzondere machtiging, geldende voor alle of voor een zeker aantal ten vervoer te geven vuurwapenen. Ik denk hier ook aan bedienden en reizigers van wapenhandelaren, door deze hunne patroons geregeld met het vervoer van vuurwapenen belast.

Uit het bovenstaande volgt, dat men ten aanzien van het vervoer van een vuurwapen in den zin dezer wet steeds twee vragen heeft te stellen en uiteen te houden, n.1. 1°. mag de vervoerder het vuurwapen of onderdeel daarvan op den openbaren weg of op eenige voor het publiek toegankelijke plaats bij zich hebben? en 2°. mag het vuurwapen of onderdeel daarvan aan hem worden afgeleverd? Een ontkennend of bevestigend antwoord op de eene vraag sluit nog niet in eenzelfde, ontkennende of bevestigende, beantwoording van de andere. Een onderdeel van een vuurwapen b.v., op zich zelf geen wapen, mag iemand bij zich hebben; doch het mag aan hem niet worden afgeleverd, tenzij hij bevoegd is om het (onderdeel , van een) vuurwapen voorhanden te hebben. Daarom is dan bok mijn advies aan wapenhandelaren, jagers, enz.: voorziet niet alleen u zelf, doch ook uw bediende of knecht van eene machtiging. Voor het personeel zal als regel wel kunnen worden volstaan met een bijzondere machtiging voor het voorhanden hebben van een zeker aantal vuurwapenen, onder voorwaarde b.v., dat de houder die alleen voor eenig vervoer voorhanden zal hebben. Het systeem der wet brengt mede, dat wie een vuurwapen voorhanden heeft of krijgt, practisch in het algemeen een machtiging moet hebben, wil niet op een gegeven oogenblik ongelegenheid ontstaan, j

3. Uiteraard zal het dengene, die binnen het rijk in Europa een Aflevering vuurwapen aflevert, niet steeds gemakkelijk vallen zich er van te w"e™"'aan vergewissen, dat de persoon, wien hij dat wapen aflevert, bevoegd handen v°°r' is om het voorhanden te hebben. In geval van twijfel zal hij zich v".f SeVo^e uiteraard van de aflevering moeten onthouden. Het is intusschen personenmogelijk, dat hij er in „inloopt", d. w. z. dat hij, niettegenstaande

de aanwending van alle voorzichtigheid en oplettendheid, welke redelijkerwijs van hem mocht worden verlangd, toch aan een onbevoegde aflevert. In dit geval kan de bekende jurisprudentie van den Hoogen Raad 1), volgens welke bij gebleken afwezigheid van alle schuld geen bestraffing mag volgen, hem baat geven.

4. In het Voorloopig Verslag der Tweede Kamer Werd door Aflevering sommige leden de vrees uitgesproken, dat dit artikel aanleiding tot ïïuve™, enz.

191MefeiniZqe w ^m8^11 Va? }tF°brnari W™> Weekblad van het Recht no. 9958, en van 1» Mei 1919, Weekblad van het Hecht no. 10424.

Sluiten