Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in bewaring 1. Dit artikel is het sluitstuk van de wet. Ten slotte kunnen de

geven. , .... . , .

vuurwapenen en de munitiën, welke zich bevinden onder personen, bij wie zij, hetzij in het algemeen, hetzij alleen met het oog op verwachte of reeds ingetreden buitengewone omstandigheden, niet vertrouwd zijn, worden ingenomen1). Bij de regeling daarvan is uiteraard onderscheid gemaakt tusschen personen, die wel, en hen, die niet bevoegd zijn om vuurwapenen of munitie voorhanden te hebben.

De wet spreekt niet, als artikel 29 der z.g. Oorlogswet, van „inleveren", doch van „in bewaring geven".

Moet hier aan bewaargeving worden gedacht, dan is het m. i. eene bewaargeving sui generis, op bevel van het hoofd van plaatselijke politie, terwijl de bewaarnemer, de gemeente, verplicht is de voorwerpen aan te nemen en te bewaren 2). In dezen gedachtengang schijnt te zijn aangenomen, dat door de daad der bewaargeving tusschen den bewaargever en den bewaarnemer een burgerrechtelijke rechtsband ontstaat, welke in de artikelen 10 en 11 der wet eenige, zij het dan ook zeer onvolledige regeling heeft gevonden, en waarvoor overigens tot algemeene rechtsbeginselen zal zijn terug te gaan. Volgens de Memorie van Toelichting dient de gemeente voor eene behoorlijke bewaring van de in bewaring gegeven voorwerpen zorg te dragen, waartegenover dan het bewaarloon, bedoeld in artikel 10, derde lid, in de gemeentekas wordt gestort. Behartigt de bewaarnemer, in casu de gemeente, aldus de Memorie van Antwoord, bij den verkoop van in bewaring gegeven voorwerpen overeenkomstig artikel 10, derde lid, de belangen van den bewaargever niet voldoende, dan kan deze haar in rechten aanspreken. Deze geheele rechtsfiguur is overigens min of meer ongeregeld.

De gemeente zal m. i. de in bewaring gegeven vuurwapenen of munitie niet mogen gebruiken 3). In geval van oorlog, daaronder begrepen de tijd, dat de militie te land buitengewoon is bijeengeroepen, kan oogenblikkelijke inbezitneming plaats vinden ingevolge artikel 73 der z.g. Onteigeningswet.

Bevoegdheid 2. Al zijn, blijkens den aanhef van het artikel, de hoofden van hoofden van plaatselijke politie zonder eenige wettelijke beperking bevoegd om politie. een bevel tot inlevering te geven — de andere opsporingsambtenaren zijn daartoe ingevolge het laatste lid alleen „bij dringende noodzakelijkheid" bevoegd —, zoo dienen zij uiteraard ook hunne

1) Men vergelijke artikel 29 van de z.g. Oorlogswet van 23 Mei 1899 (Staatsblad no. 128).

2) Er zou dan ten deze eenige verwantschap zijn met de sequestratie op rechterlijk bevel (art. 1767, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek).

3) Men vergelijke artikel 11, eerste lid.

Sluiten