Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

begeerte om den hoek om, onder het mom van bescherming des Inlanders, feitelijk den-kapitalist te beschermen: door grootere complexen, door gefnuikte concurrentie, door langere termijnen van inhuur, door vergunde vooruitbetaling der huursom etc. Tegenover al deze eventueele voordeden staat dan eene voor den vorm schijnbaar heel scherp gestelde controle der ambtenaren van binn. bestuur, die echter de verregaande misbruiken waartoe de bepalingen ruimte laten niet kan verhinderen. Ik begrijp dan ook niet hoe iemand, die als- de controleur ten Brink zoo helder en onomwonden het volkomen bankroet der regeering in haar „behartigen der volksbelangen" heeft aangetoond, op blz. 412 weer kan schrijven, na eenige m.i. uitstekende verbeteringen te hebben voorgesteld : „Waar de Regeering niets ongedaan laat om de belangen der Inlandsche bevolking te beschermen, hoop ik dat het door mij ontworpen stelsel in ernstige overweging zal worden genomen". Bij God, de regeering laat sinds jaren hetzij dan bewust of onbewust, niets ongedaan om den Infander naar den kelder te helpen! De heer ten Brink zelf toont het met de grondhuur-ordonnaniën weer zóó aangrijpend aan, dat het mij een raadsel is hoe hij daarna zulke woorden van waardeering kan neêrschrijven. Dit is óf verregaande naïviteit, die de eindelooze regeeringslitaniën over hart voor den^Javaan, niettegenstaande de evidente bewijzen van het tegendeel, nog voor goede munt opneemt, óf het bekende streven van z. g. wellevende debaters om, door onwaren lof, de tegenpartij (hier de Regeering) beter voor hun betoog te winnen. Dit doel moge het middel eenigszins heiligen — mij is die lievigheid in de polemiek een gruwel, als strijdig met de waarheid en als versterkend bij vriend en vijand de meening dat het „dan toch nog zoo erg niet is".

En het requisitoir van den heer ten Brink is wel degelijk „heel" erg. Zijne uitgewerkte beschrijving der ongerechtigheden, die als doodgewone zaken uit de grondhuur-ordonnantiën voor de bevolking voortvloeien, zal ik hierachter in een afzonderlijk artikel resumeeren. De regeering neme er kennis van, als een treffende aantooning van de benadeeling en het bedrog waaraan zij den Inlander door hare mooie, zwaar bestudeerde, ordonnantiën overlevert. P. BROOSHOOFT.

Sluiten