Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

No. 251 DONDERDAG 31 OCTOBER 1901.

SOER ABAIJA COURANT.

EERSTE BLAD.

HET RECHTSBEGRIP BIJ HET BINNENLANDSCH BESTUUR

Telkens valt het mij op als ik adviezen van binnenlandsch bestuurs ambtenaren lees, dat hun kennis van rechtsbeginselen ontbreekt tot groote schade van die adviezen.

Ik bedoel niet gebrek aan wetskennis. Ik neem gaarne aan dat zij de wetten, verordeningen etc. wel kennen voor zoover zij met de • toepassing er van iets te maken hebben.

Maar zij moesten doordrongen zijn van de rechtsbegrippen opdat zij het niet meer mogelijk achten zouden, dat de regeering alles kan bepalen wat zij maar gelieft

Bij de overigens soms practische adviezen door hen gegeven, een gevolg van de practische kijk door hun bestuurswerkkring op het volk, spelen altijd bij hun raadgevingen tot oplossing van eventueele moeielijkheden, een hoofdrol, arbitraire bepalingen van verbod of gebod door de regeering.

Wat kan haar beletten dit te doen, wat iets anders te gelasten om te doen of na te laten?

In de zeer belangrijke opstellen waarvan sedert eenigen tijd een serie in de Soerabaya Courant verschijnt over de feitelijke en schijn reorganisatie van het binnenlandsche bestuur, is juist dit de sterke zijde van de adviezen van den schijver, dat hij een breeder blik heeft en begrijpt dat geen arbitraire bevelen in strijd met algemeene rechtsbegrippen mogen worden gegeven.

Toen de regeering de knoeierijen met het verkoopen van tabak in het Djembersche wilde tegengaan, ging zij allengs over tot de zonderlingste verbodsbepalingen betreffende het verboer van tabak, alleen omdat haar politietoezicht ontbreekt en zij langs den weg van' arbitrair verbod gemakkelijker haar doel dacht te bereiken. Het ging vierkant over alle rechten van een volk heen.

Dat was op advies van controleurs en Ass. Residenten.

Sluiten