Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

In enkele jaren is het beeld van onze maatschappij veranderd. De na-oorlogsche menschen vertoonen voor een groot gedeelte een andere mentaliteit dan die van voor 1914. Hun idealen zijn van richting zeer gewijzigd; hun begeerten zijn versterkt; hun streven gaat naar andere zaken dan voorheen; het is in bijna alles anders: de polsslag van den tijd is in koortshitte zoo versneld, dat het jaren zal duren eer een rustige harteklop geen biezondere behandeling meer noodig heeft.

Naast wat goeds is er vooral veel kwaads naar buiten getreden. Het stoffelijke viert hoogtij; het geestelijke schijnt in de verdrukking gekomen.

Dit is niet erg.

Door den druk wordt de boter pas goed.

De geestelijke arbeiders hebben wel eens tegenslag noodig, om niet als de achttiend'-eeuwers te verpruiken bij de weldadige rust, de algemeene menschenmin en de officieële wierook.

Door den tegenslag zullen de ware dragers van geestelijk leven versterkt worden in hun geloof en in het besef, dat de maatschappij zonder beleefd innerlijk leven een massa-productie wordt van voortbrengend-vernietigend, dood materiaal.

De geestelijke werkers van allerlei richting hebben dit ingezien en het is moed-gevend voor de toekomst op te merken hoe allerwegen zij zich organiseeren, elkaar opbouwen, sterken en tot intensieven arbeid aansporen.

Een nieuwe onderwijsteer — een nieuwe onder wij sgeest!

De artikelen, doode dingen zijn het; schalmen van een keten, die mogelijk kwaad buiten sluit, ja — öf ook: het goede gekneld houdt in worgenden greep.

Oude sleur, practijk zonder ziel, versteende inhoud, dat alles ruimt de wet niét op. Daartoe is noodig een nieuwe geest, verbeterd inzicht, ontvankelijkheid voor de eischen van den nieuwen tijd.

Sluiten