Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2. Uitgewerkte lesrooster voor de

eerste drie leerjaren — zie de vorige—

MAANDAG.

DINSDAG.

9—9.30 -9.45

— 10.10

— 10.30

— 11

— 11.20

— 11.45

1 — 1.30 —2 —2.30 —3 —4

Psalm of gez. vers (gec.) Rekenen, (flg. leggen, cijfers schr.

of schr. r.) Rekenen (mond.) Rekenen (schr.) Schrijven (methode) Lezen (m.)

Lezen (letters teekenen, stil lezen of

les schr.) Kenn. d. nat. (aansch. onderw.) Lezen (m.)

Lezen (stil, zie boven). Zingen (trefoefen.) Nuttige handw. (v. m.)

9—9.30 -9.50

— 10.30

— 11

— 11.15

— 11.45 1 — 1.30

-2

—2.15

—3

Bijb. gesch. Lezen (m.) Lezen (s.) Schrijven (m. s.) Rekenen (m.) Rekenen (s.) Schrijven (m. s.) Lezen (m). Lezen (s,)

Ned. taal (woordjes nateek. of schr.)

9—9.30

— 10.10

— 10.30

— 11 -11.20

— 11.45 1 — 1.30

—2

-2.15

—2.30

—3

—4

Psalm of gez. vers (gec.) Rekenen (cijferwerk van het

bord) Rekenen (m.) Schrijven (meth. schr.) Lezen (stil) Lezen (m.)

Kenn. der natuur (A. o.) Lezen (les schr. of stil) Lezen (m.)

Lezen (les schr. of stil) Zingen (trefoef. g.) Nuttige handw. (v. m.)

9—9.30 —9.50

— 10 15

— 10.30

— 11

— 11.15

— 11.30

— 11.45 1 — 1.30

—2

-2.15

—3

Bijb. gesch. Lezen (stil) Lezen (m.) Lezen (les schr.) Schrijven (m. s.) Rekenen (s.) Rekenen (m.) Rekenen (s.) Schrijven (meth. s.) Rekenen (s.) Rekenen (m.) Ned. taal (les naschr.

of Ons Nederlandsen,

IA en IB).

9—9.30 -9.45

— 10.30

— 11

— 11.45 1-1.15

-2.15 -2.30 —3 —4

Psalm of gez. vers (gec.) Rekenen (m.) Rekenen (s.) Lezen (m.) Schrijven (meth.) Schrijven (meth.) Lezen (les schr. of stil) Lezen (m.) Zingen (trefoef. g.) Nuttige handw. (v. m.)

9—9.30

— 10.15

— 10.30 -11 -11.30

— 11.45 1 — 1.30

-2.15 —2.30 —3

Bijb. gesch. Lezen (les schr.) Lezen (m.) Schrijven (meth. s.) Rekenen (s.) Rekenen (m.) Vad. gesch. (m.) Schrijven (meth. s.) Lezen (stil) Lezen (m.)

WOENSDAG. DONDERDAG. VRIJDAG.

9—9.30 —9.50

— 10.30

— 11 -11.15

• —11.45 ► 1-1.40

—2

Bijb. gesch.

Rekenen (m.)

Rekenen (s.)

Schrijven (m. s.)

Lezen (s.)

Lezen (m.)

Teekenen(Teekenles van grootvader)

Lezen (s.)

9—9.30 -9.50

— 10.30

— 11.15 -11.30

— 11.45 1 — 1.30

—2.10 -2.30 —3 —4

Bijb. gesch. Lezen (m.) Lezen (stil) Schrijven (m.s.) Rekenen (m.) Rekenen (s.) Kenn. der nat.

(m.) Ned. taal (s.) Rekenen (m.) Zingen(versjes) Nuttige handw.

(v. m.)

9—9.30

-10

— 10-30 -11.15

— 11.45 1 — 1.30

—2 —3

Bijb. gesch.

(herh.) Lezen (m.) Schrijven (m.s.) Rekenen (s.) Ned. taal (s.) Schrijven (m. s.) Lezen (m.) Teekenen (Van

Dijck)

EERSTE LEERJAAR.

9—9.30 -9.50

— 10.15

— 11.30

— 11 -11.45

1 — 1.40

—2

Bijb. gesch.

Rekenen (s.)

Rekenen (m.)

Rekenen (s.)

Ned. taal (m.)

Ned. taal (s.)

Teekenen(Teekenles van grootvader) Lezen (stil of les schr.)

9—9.30 I Bijb. gesch. —9.50 ! Lezen (stil)

— 10.15 Lezen (m.)

— 10.30 Lezen (les schr.]

— 11.15 Rekenen (m.)

— 11.45 Schrijven (m.s.) 1 — 1.30 i Kenn. der nat.

(m.)

— 1.50 Ned. taal (s.) -2.10 Ned. taal (m.) —2.30 Ned. taal (s.) —3 | Zingen(versjes) —4 ! Nuttige handw.

j (v- m.)

9—9.30

-10

— 10.10

— 10.50

— 11.15

— 11.45 1 — 1.30

—2 —3

Bijb. gesch.

(herh.) Schrijven (m. s.) Lezen (m., gec.) Ned. taal (s.) Ned. taal (m.) Rekenen (m.) Schrijven (m. s.) Rekenen (s.) Teekenen (v.

D.)

TWEEDE LEERJAAR.

9—9.30 -10.15 -10.30

— 11

— 11.15 -11.45

1 — 1.40

—2

Bijb. gesch.

Rekenen (s.)

Rekenen (m.)

Schrijven (tn. s.)

Ned. Taal (s.)

Ned. Taal (m.)

Teekenen(Teekenles van grootvader)

Aardrijksk. (m.)

9—9.30

— 10.15

— 10.30

— 11.15

— 11.30

— 11.45 1 — 1.30

— 1.50 -2.30 —3 —4

Bijb. gesch. Lezen (les schr.) Lezen (m.) Schrijven (m. s.) Rekenen (s.) Rekenen (m.) Kenn. der nat. Ned. taal (m.) Ned. taal (s.) Zingen(versjes) Nuttige handw. (v. m.)

9—9.30

— 10

— 10.30

— 10.50

— 11.15

— 11.45 1-1.30

—2 —3

Bijb. gesch. (herh.)

Schrijven (m. s. Lezen (m., gec. Ned. taal (m.) Ned. taal (s.) Rekenen (s.) Rekenen (m.) Ned. taal (s.) Teekenen (v. D.)

DERDE LEERJAAR.

Sluiten