Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geschiedenis vooraan. Dit behoeft geen betoog noch verdediging hier. Wel moeten we bepalen hoe vaak een Bijbelles zal gegeven worden. Ons dunkt, dat in de laagste drie klassen drie lessen van een half uur voldoende zijn; terwijl een vierde half uur meer speciaal voor herhaling en weergeving door de leerlingen er aan wordt toegevoegd; met daarbij het half uur Maandagsmorgens voor Taal, waarin een psalm of gezangvers wordt besproken en geleerd, komt het godsdienstonderwijs voldoende tot zijn recht; in de hoogste drie klassen heeft de herhaling van een les voor het eigenlijke vertellen plaats; drie keer- 3 kwartier geven daartoe ruimschoots den tijd, terwijl een vierde uur Vrijdags voor Lezen als leesboek de Bijbel heeft; de eerste les op Maandag is gewijd aan bespreking en leeren van een psalm of gezangvers.

Wat dient nu na de Bijbelsche geschiedenis aan de orde te komen?

Waar o.i. Rekenen steeds een inspannend en 't meest vermoeiend leervak is, gaven we dit geregeld een eerste plaats. Alleen in de eerste leerjaren is het Lezen niet minder inspanning eischende, vandaar dat in die klassen voor de eerste uren, om den anderen dag, Rekenen en Lezen afwisselen. Het Rekenen is het geheele schoolleven door een moeilijk, veel tijd nemend vak, vooral ook omdat steeds weer iets nieuws moet geleerd, en steeds meer samengestelde bewerkingen moeten worden uitgevoerd. Wil men dan ook dat van het Rekenen op school voor later wat meer beklijft dan alleen optellen en aftrekken, dan dient al de schooljaren door, daaraan een flink getal uren gegeven. Met het Lezen is dit iets anders. Is eenmaal de techniek „erin", dan komt bij een flink onderwijzer het éigenlijke leesonderwijs aan de beurt; lezen „met een stem als een klok", langzaam, goed op de teekens letten, geen taallessen ervan maken, veel „stil" lezen en, ook geen geringe factor, prettige leesboekjes

V. 6 B. no. 24.

Sluiten