Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van het plantmateriaal, die zeker den ondergang der cultuur zou tengevolge hebben, afdoende te bestrijden. Zoo is daar tot stand gebracht een compleet boerenbedrijf, dat als model kan dienen, en waarvan ongetwijfeld demonstratieve invloed op de bevolking zal uitgaan.

Wat nu de ontwikkeling op handwerksgebied

Handwerks- „ . , . . .

inrichting betreft, zeker ook hier staat vóórop de vraag: is er op de Karo- loonend werk voor de Bataks in deze omgeving? hoogvlakte. Maar daarmede alleen is men er toch niet. Het geval is eenigszins anders dan bij den landbouw. De Bataks zijn allen van huis uit landbouwers, zijn dit ongetwijfeld sedert eeuwen reeds geweest, en men kan uit het oogpunt van hun levensonderhoud ook zonder overdrijving beweren, dat zij het uitsluitend zijn. In dit bedrijf hebben de Bataks allen reeds een practische school doorloopen. De overige middelen van bestaan beteekenen daartegenover niet veel. Alleen de veeteelt is — maar lang niet voor allen — hier en daar een niet onbelangrijke bron van inkomsten. Wat echter het handwerk betreft (smeden, timmeren, goudbewerking), dit is en blijft totnogtoe voor heel weinigen een bron van bijverdienste, die trouwens lang niet aldoor vloeit. Behalve smid of timmerman is men toch ook weer en zelfs in de eerste plaats landbouwer, die althans zooveel verbouwt, dat hij in eigen behoefte voorziet. Ofschoon nu die smeden en timmerlieden aardig, vooral ook artistiek, werk leveren, ontbreekt er uit technisch oogpunt nog al een en ander aan, bijv. zuivere afwerking. Deze tekortkomingen zijn zonder onderwijs niet weg te nemen. Te meer verdient daarom een proef met handwerksonderricht in deze omgeving door het Bataksch Instituut ter hand genomen, de belangstelling. Deze proef is begonnen in 1914, dus in den aanvang van het tijdperk, waarvan hier een overzicht gegeven wordt. Waar alle begin moeilijk is en men nog steeds zoekende en tastende is naar de voor Indië meest bruikbare methode om tot de vorming van geschikte handwerkslieden te komen, kan het wel niet verwonderen, dat omtrent deze proefneming nog niet zooveel materiaal kan worden voorgelegd, als noodig is om een welgevestigd oordeel te vormen. Toch zijn er uit de ingekomen rapporten^ van den leider der ambachtsinrichting te Kaban Djahë, den heer Van Bendeqom wel enkele conclusies te trekken, die leerzaam zijn. Zoo kort als nu de

Sluiten