Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

inrichting bestaat, is in elk geval gebleken, dat de Karo-Batak wel aanleg heeft voor handwerk; dat hij onder goede leiding, na een paar jaar reeds in staat is op het gebied van timmerwerk niet alleen een en ander te maken (deuren bijv.), dat er goed uitziet, maar ook, dit te doen in zooveel tijd, dat hij daaraan een dagloon van 70 cent kan verdienen ')•

De handwerksinrichting, — die niet veel heeft van een ambachtsscAoo/ — is feitelijk een werkplaats, waar bestellingen worden uitgevoerd, maar weer niet een werkplaats zonder meer, want ze is een leerinrichting met internaat en behalve wat de jongelui er in de practijk leeren vervaardigen, krijgen ze ook nog onderwijs, met het doel hun een inzicht in het werk te geven, zoowel in de techniek als in den economischen kant. En nu is dit de verdienste van den arbeid van den heer Van Bendegom, dat daardoor aan het licht is getreden, dat de KaroBataks zeer bruikbaar materiaal zijn voor handwerkslieden, die machinaal en onder leiding goed werk kunnen leveren, dat loonend is, maar nog niet in staat zijn tot zelfstandigen arbeid. Ontbreekt hun daartoe den aanleg? Wij zijn overtuigd van niet, en ook de heer Van Bendegom beweert dit niet. Hij schrijft hun tekortschieten in dezen toe aan onvoldoende voorbereiding. Het onderwijs, dat zij op de volksschool, dat is hier de zendingsschool, hebben ontvangen, heeft hun wel eenige vaardigheden bij gebracht (lezen, schrijven, rekenen), maar volgens hem is hun kennis en vaardigheid zeer oppervlakkig en machinaal, zonder begrip van en inzicht in wat zij lezen of berekenen. Zij hebben op die school niet leeren denken. Vermoedelijk is dit oordeel wel wat al te éénzijdig en daardoor onbillijk, maar waarheid schuilt er ongetwijfeld in; de onderwijzers aan de zendingsscholen zijn zelf Karo-Bataks, van wie slechts een deel door de kweekschool te Raja opgeleid, en ook dezen, hoewel die opleiding opzichzelf, in verband met de gewone behoeften der zendingsscholen, zeker voldoende is, zijn te jong en onervaren om goede onderwijzers, dat wil zeggen, opvoeders, leiders, te zijn. Dit oordeel is trouwens allerminst alleen op de zendingsscholen van toepassing, maar geldt even goed het van het gouvernement uitgaande volksonderwijs. Volgens den oud-inspecteur van het Inl. Onderwijs, C. Lekkerkerker zijn het meerendeel der onderwijzers aan de

') Uit een dezer dagen ontvangen rapport blijkt, dat de jongens einde Maart 1918 reeds 93 ets. konden verdienen per werkdag van uur.

Sluiten