Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doet direct uit de andere wereld — zij verkeeren allen in éen geestestoestand. Zoo vaak ik een spiritistische séance bijgewoond heb en daar zag, hoe „spreekmediums" in hun toestand van opwinding buiten zich zelf waren, drong zich telkens de gedachte bij mij op, dat op deze menschen woord voor woord toe te passen was Vergilius' beschrijving van de Sibylle (waarzegster) Deiphobe, die, door Apollo bezeten, den wil van de godheid aan Aeneas verkondigt1). Men oordeele:

„Toen zij zoo sprak, veranderden plotseling haar gelaatsuitdrukking en haar kleur; heur haren geraakten in wanorde; haar borst hijgde, en van razernij zwol haar opgewonden gemoed. Zij scheen grooter en (haar stem) klonk niet menschelijk meer, daar zij geïnspireerd werd door den naderenden god .

Is de overeenkomst niet treffend, ondanks de twintig eeuwen, die ons van de Sibylle of liever van Vergilius scheiden ? En geeft het ook niet te denken, dat altijd — in de oudheid zoo goed als nu — meer vrouwen dan mannen tot extatische toestanden geneigd waren en zijn?

Maar daarmee wil ik allerminst zeggen, dat er tusschen extase en extase geen onderscheid bestaat. Integendeel. Al naarmate de trap van beschaving van den extaticus hooger of lager is, denkt en doet hij anders ten opzichte van zijn extase, en tracht hij ze door andere middelen op te wekken. De monniken op den berg Athos brengen zich door het bekende navel-staren in extatische verrukking; de Perzische derwisjen door een razend ronddraaien; de Indiaansche „medicijnman" ademt tabakswalmen in, en de opium-schuiver wendt weer een ander narcoticum aan.

Een meisje van ongeveer twintig jaar, die een zeer ernstige operatie had ondergaan, zei eens tot mij: „ik zou zoo graag nog eens worden geopereerd; de narcose gaf mij zoo'n onbeschrijfelijk-heerlijke gewaarwording. Het was verrukkelijk". Duidelijk betrof het hier een geval van extase van zuivernarcotischen aard, zooals de opiumschuivers beleven.

In het algemeen kunnen wij zeggen, dat de meest geeste-

') Aeneis VI, 55 sqq.

Sluiten